Citaat | Rechtbank Limburg 9 maart 2016
Onder 4.27. Rechtbank Limburg 9 maart 2016
Een alinea uit Rechtbank Limburg 9 maart 2016, ECLI:NL:RBLIM:2016:1936.
Aan de orde is vervolgens, gelet op de stellingen van [eiser sub 1] en de Stichting, de vraag of de termijn als bedoeld in artikel 58 Fw van toepassing is op alle openbare pandrechten en dus ook op geldvorderingen. Die vraag dient naar het oordeel van de rechtbank bevestigend beantwoord te worden. De stelling van [eiser sub 1] en de Stichting dat de letterlijke tekst van artikel 58 Fw aan die toepasselijkheid in de weg staat treft geen doel, nu deze stelling naar het oordeel van de rechtbank berust op een verkeerde interpretatie van het in dat artikel bepaalde. In de eerste zin van het eerste lid van het artikel wordt immers uitdrukkelijk gesproken over “uitoefening van hun rechten” door de pand- en hypotheekhouders en daarbij is geen onderscheid gemaakt tussen pandrechten op zaken enerzijds en op geldvorderingen anderzijds. Dat er in de tweede zin wordt gesproken over de uitwinning van de pandrechten doet daar naar het oordeel van de rechtbank niets aan af reeds omdat uitwinning van geldvorderingen ziet op verhaal op de door de pandhouder geinde vordering en niet op verkoop van de geldvordering.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0fc31f4e25469b79229a2725511ae9e13b63a856b35f04e85e2eff70221016b9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0fc31f4e25469b79229a2725511ae9e13b63a856b35f04e85e2eff70221016b9, en de alinea staat in dat document op bytes 37696 tot 38826.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/0fc31f4e25469b79229a2725511ae9e13b63a856b35f04e85e2eff70221016b9 | shasum -a 256