Citaat | Rechtbank Limburg 9 maart 2016
Onder 4.28. Rechtbank Limburg 9 maart 2016
Een alinea uit Rechtbank Limburg 9 maart 2016, ECLI:NL:RBLIM:2016:1936.
Ook de stelling van [eiser sub 1] en de Stichting dat de ruime toepassing van het bepaalde in artikel 58 Fw niet nodig is, omdat de curatoren de controle hadden over het uitwinnen van de zekerheidsrechten op de geldvorderingen via de in artikel 3:246 BW gegeven mogelijkheid om zich tot de kantonrechter te wenden, treft naar het oordeel van de rechtbank geen doel gezien de verschillen in uitkomst van beide mogelijkheden. Uit artikel 3:246 lid 5 BW volgt dat, indien de vorderingen voor de pandgever met machtiging van de kantonrechter worden geïnd, het pandrecht op het geïnde komt te rusten. Dat is anders in een faillissementssituatie waarin een termijn ex artikel 58 Fw is gesteld. Na het verstrijken van de gestelde termijn kan een curator overgaan tot actieve inning van het verpande. In dat geval behoudt de pandhouder weliswaar zijn preferente positie, maar het geïnde valt in de boedel en de pandhouder deelt mee in de boedelkosten. Aldus staat naar het oordeel van de rechtbank de in artikel 3:246 BW geboden mogelijkheid niet aan het bepaalde in artikel 58 Fw in de weg en kan niet aan de curatoren tegengeworpen worden dat zij gekozen hebben voor gebruikmaking van artikel 58 Fw.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0fc31f4e25469b79229a2725511ae9e13b63a856b35f04e85e2eff70221016b9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0fc31f4e25469b79229a2725511ae9e13b63a856b35f04e85e2eff70221016b9, en de alinea staat in dat document op bytes 38907 tot 40116.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/0fc31f4e25469b79229a2725511ae9e13b63a856b35f04e85e2eff70221016b9 | shasum -a 256