Citaat | Rechtbank Limburg 9 maart 2016

Onder 4.31. Rechtbank Limburg 9 maart 2016

Een alinea uit Rechtbank Limburg 9 maart 2016, ECLI:NL:RBLIM:2016:1936.

De rechtbank oordeelt als volgt. De curatoren hebben aan [eiser sub 1] (en de Stichting) een termijn gegeven van 7 dagen voor de uitoefening van hun pandrechten. Een dergelijke termijn kan naar het oordeel van de rechtbank niet als een redelijke termijn worden beschouwd, nu het naar haar oordeel niet mogelijk is om binnen een dergelijke periode tot inning van de verpande vorderingen over te gaan of daar zelfs maar een aanvang mee te maken: reeds met de enkele aanschrijving van de debiteuren zal immers doorgaans al een termijn van 7 dagen gemoeid zijn. Ook in de jurisprudentie wordt als een redelijke termijn algemeen aangenomen een termijn van 14 dagen. De door de curatoren gestelde termijn is daarvan een halvering die niet begrijpelijk is in het licht van de geschetste omstandigheden. Daarmee heeft de termijn te gelden als een onredelijke termijn. De vraag is vervolgens aan de orde of de onredelijke termijn is gesauveerd door de beslissing van de rechter˗commissaris om de termijn te verlengen tot 1 juli 2013.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0fc31f4e25469b79229a2725511ae9e13b63a856b35f04e85e2eff70221016b9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0fc31f4e25469b79229a2725511ae9e13b63a856b35f04e85e2eff70221016b9, en de alinea staat in dat document op bytes 42813 tot 43851.