Citaat | Rechtbank Limburg 30 maart 2016

Onder 4.2.3. Rechtbank Limburg 30 maart 2016

Een alinea uit Rechtbank Limburg 30 maart 2016, ECLI:NL:RBLIM:2016:2957.

Bij haar beoordeling stelt de rechtbank voorop dat reeds hiervoor is overwogen dat de coniferenhaag mandelig is in de zin van artikel 5:62 BW. In wezen moet de vordering van [eiser] dan ook worden opgevat als een vordering tot “vernieuwing”, hetgeen in dit geval neerkomt op vervanging, zoals bedoeld in artikel 5:65 BW van de thans aanwezige coniferenhaag. Uit artikel 5:65 BW volgt dat mandelige zaken op kosten van alle mede-eigenaars moeten worden onderhouden, gereinigd en, indien nodig, vernieuwd. Aldus dient te worden beoordeeld of het noodzakelijk is dat de coniferenhaag wordt vervangen in die zin dat een andersoortige scheidsmuur in de plaats van de coniferenhaag dient te komen. Het antwoord op de vraag wanneer sprake is van een noodzakelijke vernieuwing van een mandelige zaak, hangt af van de omstandigheden van het geval. Het dient in ieder geval om een objectief vast te stellen noodzaak te gaan: de enkele wens van een der partijen tot vernieuwing is niet voldoende. In zijn algemeenheid geldt dat een dergelijke noodzaak niet al te snel mag worden aangenomen. In het licht van dit uitgangspunt leggen de door [eiser] aangedragen argumenten onvoldoende gewicht in de schaal om de conclusie te rechtvaardigen dat de coniferenhaag dient te worden vervangen. [eiser] heeft gesteld dat de coniferenhaag dient te worden vervangen, omdat hij deze als een obstakel ervaart, omdat de haag “extra breed” is, waardoor het niet mogelijk is om met een tractor via de linkerkant van zijn perceel naar de achterzijde van zijn perceel te rijden. De rechtbank gaat hieraan voorbij. [eiser] heeft namelijk niet gesteld, laat staan onderbouwd dat het, als de coniferenhaag door een hekwerk zou worden vervangen, wel mogelijk is om met een tractor via de linkerkant van zijn perceel naar de achterzijde van zijn perceel te rijden. Daar komt bij dat [eiser] , hoewel dat wel op zijn wel lag, in het geheel niet heeft toegelicht op grond waarvan het belang om met een tractor via de linkerzijde van zijn perceel naar de achterzijde te kunnen rijden van dien aard is dat het de vervanging van de coniferenhaag rechtvaardigt. De rechtbank gaat eveneens voorbij aan de stelling dat de coniferenhaag dient te worden vervangen, omdat [eiser] een carport wenst te maken. [eiser] stelt weliswaar dat dit vanwege de aanwezigheid van de coniferenhaag niet mogelijk is, maar ook voor deze stelling geldt dat [eiser] deze niet van een deugdelijke onderbouwing heeft voorzien. Dit geldt ook voor de gezondheidsklachten die [eiser] bij het snoeien en onderhouden van de coniferenhaag stelt te ervaren. Ten slotte gaat de rechtbank ook voorbij aan de stelling dat de coniferenhaag geen deugdelijke erfafscheiding zou vormen, omdat kinderen er doorheen zouden kunnen kruipen. De rechtbank heeft tijdens de descente waargenomen dat de coniferenhaag zó dik is dat zij de mogelijkheid dat kinderen door de haag kruipen uitgesloten acht, zodat ook hierin geen noodzaak tot vervanging kan worden gevonden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a7a8aa1c8db8176356a55c3c2b1f84a07df8b22db88d834c25d87b3ece4ce010. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a7a8aa1c8db8176356a55c3c2b1f84a07df8b22db88d834c25d87b3ece4ce010, en de alinea staat in dat document op bytes 21941 tot 24947.