Citaat | Rechtbank Limburg 21 december 2018
Onder 10.4. Rechtbank Limburg 21 december 2018
Een alinea uit Rechtbank Limburg 21 december 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:12159.
Volgens de rechtbank heeft het Hof zich tot nu toe wat betreft artikel 9, tweede lid, van het Verdrag van Aarhus niet (expliciet) uitgelaten over de precieze verhouding tussen inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter in het geval geen gebruik is of kon worden gemaakt van inspraakmogelijkheden. Uit rechtsoverweging 88 van het arrest van het Hof van 20 december 2017 (zaak C-664/15, ECLI:EU:C:2017:987) lijkt te volgen dat een daadwerkelijke uitoefening van rechten vanaf het stadium van de bestuurlijke procedure op basis van het nationale recht verplicht kan zijn en dat dit niet zonder meer op Europeesrechtelijke bezwaren hoeft te stuiten. Het gaat in dit arrest volgens de rechtbank evenwel om een andere procedure dan de onderhavige inspraakprocedure en de rechtbank vraagt zich af, mede onder verwijzing naar rechtsoverweging 61 van dit arrest, of hetzelfde geldt voor inspraak in het licht van artikel 6 van het Verdrag van Aarhus. Ook uit rechtsoverweging 76 van het arrest van het Hof van 15 oktober 2015 (zaak C-137/14, ECLI:EU:C:2015:683) volgt dat noch artikel 11, vierde lid, van Richtlijn 2011/92 noch artikel 25, vierde lid, van Richtlijn 2010/75 uitsluit dat aan een beroep bij de rechter een beroep bij een bestuurlijke autoriteit voorafgaat en beletten die artikelen niet dat het nationale recht de verzoeker verplicht om alle bestuurlijke beroepswegen uit te putten alvorens beroep bij de rechter te mogen instellen. Volgens de rechtbank kan daaruit niet zonder meer de conclusie worden getrokken dat dat ook geldt voor de relatie tussen inspraak in besluitvorming, die niet zonder meer als bestuurlijke beroepsweg is aan te merken, en beroep bij de rechter. In dat verband verwijst de rechtbank naar het arrest van het Hof van 15 oktober 2009 (zaak C-263/08, ECLI:EU:C:2009:631) en in het bijzonder rechtsoverweging 38, waar in het licht van Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten juist ten aanzien van inspraak door het Hof wordt gesteld dat inspraak geen invloed heeft op de voorwaarden om in beroep te kunnen gaan. Het antwoord op de aan het Hof voorgelegde vraag luidt in rechtsoverweging 39: “Bijgevolg moet op de tweede vraag worden geantwoord dat leden van het betrokken publiek in de zin van de artikelen 1, lid 2, en 10 bis van Richtlijn 85/337 de beslissing van een instantie die behoort tot de rechterlijke organisatie van een lidstaat, over een vergunningaanvraag voor een project moeten kunnen aanvechten, ongeacht de rol die zij bij de behandeling van de aanvraag hebben kunnen spelen door aan de procedure voor die instantie deel te nemen en hun standpunt aldaar kenbaar te maken.” Het Hof herhaalt in hetzelfde arrest dit standpunt in ongeveer gelijke bewoordingen in rechtsoverweging 48 namelijk dat leden van het betrokken publiek met een voldoende belang in beroep moeten kunnen gaan tegen de beslissing waarbij een werkzaamheid wordt toegestaan ‘maar een beperking van de mogelijkheden om in beroep te gaan niet toestaat op gronden dat de betrokken personen reeds hun standpunt hebben kunnen geldend maken tijdens de bij artikel 6, lid 4, van de richtlijn ingevoerde inspraakfase van de besluitvormingsprocedure.’
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fa0bf9efcd3f70bed50d2b4bcb8e495abf622011231fbd1cf0515e67e229cc3f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fa0bf9efcd3f70bed50d2b4bcb8e495abf622011231fbd1cf0515e67e229cc3f, en de alinea staat in dat document op bytes 45461 tot 48746.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/fa0bf9efcd3f70bed50d2b4bcb8e495abf622011231fbd1cf0515e67e229cc3f | shasum -a 256