Citaat | Rechtbank Limburg 30 juli 2020

Onder 5.4 Rechtbank Limburg 30 juli 2020

Een alinea uit Rechtbank Limburg 30 juli 2020, ECLI:NL:RBLIM:2020:5621.

De vraag is dan gerechtvaardigd of en in hoeverre de verdachte spreekt over daadwerkelijke omstandigheden die hem tot zijn handelen op 4 en 7 mei 2019 hebben gebracht of dat hij achteraf zijn handelingen inkleurt, al dan niet op basis van informatie die hij heeft opgezocht of gekregen. De deskundigen hebben zelf ter terechtzitting ook aangegeven dat zij geen waardeoordeel hebben of de verdachte zijn wanen destijds zo beleefd heeft of dat het een invulling achteraf is. Het is volgens hen mogelijk dat iemand zichzelf achteraf in een bepaalde tijd probeert te begrijpen en dat diegene achteraf probeert om dingen op een bepaalde manier in te kleuren. Maar in hoeverre zijn de omvang van de waanbelevingen dan verdachtes échte belevingen in plaats van een invulling achteraf? Kennelijk kan dat niet worden vastgesteld. Dat is wellicht ook niet relevant als het gaat om het diagnosticeren van de verdachte met een bepaald toestandsbeeld, zoals de deskundigen ter terechtzitting hebben uitgelegd, maar het kan wel degelijk relevant zijn voor het oordeel van de rechtbank of die waan alles overheerste of slechts deels van invloed op het handelen is geweest. En in deze zaak zijn er juist specifieke redenen om te twijfelen aan het waarheidsgehalte van verdachtes beweringen over zijn waanbelevingen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/73dc463370bc77bf49f424e000b7ebbb2ff95f5427b22af7fc33eeb1ebfb402b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 73dc463370bc77bf49f424e000b7ebbb2ff95f5427b22af7fc33eeb1ebfb402b, en de alinea staat in dat document op bytes 71593 tot 72907.