Citaat | Rechtbank Maastricht 6 augustus 2003

Alinea 56 Rechtbank Maastricht 6 augustus 2003

Een alinea uit Rechtbank Maastricht 6 augustus 2003, ECLI:NL:RBMAA:2003:AI0913.

Uit het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat, ook nadat de Afdeling bij uitspraak van 1 mei 2000 recht had gedaan, verweerder steeds in redelijkheid erop heeft kunnen blijven vertrouwen dat ten behoeve van de aanleg van de doorsteek […] uiteindelijk, zij het dan op een veel later tijdstip dan in eerste instantie voorzien, hoe dan ook vrijstelling op voet van artikel 19 WRO kon worden verleend. Daarom, maar ook omdat naar aard en omvang geen onderscheid valt te maken tussen schade die moet worden toegerekend aan het besluit van 28 mei 1998 enerzijds en het besluit van 17 januari 2002 anderzijds, is niet houdbaar de stelling van eiseres dat de schade die is geleden, zich niet danwel niet in deze omvang zou hebben voorgedaan, indien verweerder in staat was geweest met gebruikmaking van een wél deugdelijke verklaring van geen bezwaar, reeds aanstonds vrijstelling van het vigerende bestemmingsplan te verlenen. Terecht heeft verweerder dan ook geconcludeerd dat deze schade wegens het ontbreken van een causaal verband niet langs de weg die eiseres heeft bewandeld – dat wil zeggen: bij wege van een zelfstandig schadebesluit – voor vergoeding in aanmerking kan worden gebracht.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f813cf34643d6b14b5d8f5e54e96ea0b5d71c572d08e3b81815fe9561416f4c5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f813cf34643d6b14b5d8f5e54e96ea0b5d71c572d08e3b81815fe9561416f4c5, en de alinea staat in dat document op bytes 33988 tot 35256.