Citaat | Rechtbank Maastricht 28 juni 2006

Alinea 158 Rechtbank Maastricht 28 juni 2006

Een alinea uit Rechtbank Maastricht 28 juni 2006, ECLI:NL:RBMAA:2006:AX9549.

3.4 De door [Gedaagde] betwiste stelling van [Eiser], dat de bij [Gedaagde] belegde gelden een pensioenbestemming hadden, acht de rechtbank niet aannemelijk. [Eiser] onderbouwt zijn stelling niet met feiten. [Eiser] legt verder geen stukken over ter onderbouwing van zijn stelling dat de belegde gelden een pensioenbestemming hadden. [Eiser] stelt voorts niet dat hij op enig moment aan [Gedaagde] van die bestemming kennis heeft gegeven. Dat zulks is gebeurd, wordt bovendien door [Gedaagde] betwist. Gelet hierop alsmede op hetgeen werd overwogen onder 3.3.2 en 3.3.3, kan de rechtbank de stelling dat de beleggingsportefeuille niet voldeed aan het bepaalde in artikel 9b Pensioen- en spaarfondsenwet, wat daar verder ook van zij, in het midden laten.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/116ca40335210687b44adc7d8420e71065acd74e58163c9e1c8772b9fa1b0a60. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 116ca40335210687b44adc7d8420e71065acd74e58163c9e1c8772b9fa1b0a60, en de alinea staat in dat document op bytes 59746 tot 60512.