Citaat | Rechtbank Noord-Holland 16 november 2016

Onder 3 Rechtbank Noord-Holland 16 november 2016

Een alinea uit Rechtbank Noord-Holland 16 november 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:10315.

43. Verweerder heeft in het kader van de redelijke schatting dezelfde stellingen naar voren gebracht als ten aanzien van de hiervoor besproken aanslagen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een ander oordeel op dit punt, zodat de oordelen in zoverre gelijkluidend zijn. Voor zover verweerder betoogt dat eiser in verband met de transactie in het najaar 1995 recht had op meer deelbetalingen en hij nog een vordering had op een derde en daarmee bij de vaststelling van het vermogen rekening moet worden gehouden, gaat de rechtbank daarin niet mee. In de ontnemingsprocedure heeft zowel de rechtbank als het hof een dergelijke, eventuele vordering als oninbaar beschouwd, gelet op de situatie van die derde. De rechtbank acht het niet redelijk om die vordering dan als vermogensbestanddeel in aanmerking te nemen. Dat verweerder de vordering niet als oninbaar beschouwt, omdat “men in het criminele milieu vorderingen niet snel pleegt prijs te geven”, acht de rechtbank in dit verband onvoldoende.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bd94cd33d0dc497864680c07431326e8c05aa6b0cc418a41c0aed0cdec0fe551. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bd94cd33d0dc497864680c07431326e8c05aa6b0cc418a41c0aed0cdec0fe551, en de alinea staat in dat document op bytes 48984 tot 49999.