Citaat | Rechtbank Noord-Holland 18 maart 2016
Onder 5.4. Rechtbank Noord-Holland 18 maart 2016
Een alinea uit Rechtbank Noord-Holland 18 maart 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:4074.
Het bovenstaande brengt met zich dat aan de mondelinge aanzegging tijdens het gesprek op 3 november 2015 geen betekenis toekomt, nu het voldoen aan de aanzegverplichting schriftelijk dient te gebeuren. Voor het betrachten van enige soepelheid met betrekking tot het wettelijk schriftelijkheidsvereiste, nu volgens Strogoff [de werknemer] wist waar hij aan toe was, biedt het wetsartikel geen enkele ruimte nu de wet uitdrukkelijk verlangt dat de werkgever de werknemer schriftelijk informeert. [de werknemer] heeft voorts betwist de brief van 6 januari 2015 en de mail van 2 november 2015 te hebben ontvangen. Wat daar ook van zij, in deze stukken wordt [de werknemer] niet geïnformeerd over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst zodat geen sprake is van een aanzegging in de zin van artikel 7:668 lid 1, onderdeel a, BW. Immers, in de brief van 6 januari 2015 wordt de arbeidsovereenkomst toegezonden en wordt slechts medegedeeld dat deze van rechtswege eindigt op 30 november 2015. In de mail van 2 november 2015 staat dat aan het einde van de maand het arbeidscontract eindigt en dat [B] graag voor de volgende dag een evaluatiegesprek wil inplannen. Deze mededelingen laten de mogelijkheid open dat er na 30 november 2015 een volgende arbeidsovereenkomst zou worden aangeboden.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b9a4c33e71b0a23ce4a2375738499f31402fd35d0eee142969bb18fd4bafa32a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b9a4c33e71b0a23ce4a2375738499f31402fd35d0eee142969bb18fd4bafa32a, en de alinea staat in dat document op bytes 12259 tot 13587.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/b9a4c33e71b0a23ce4a2375738499f31402fd35d0eee142969bb18fd4bafa32a | shasum -a 256