Citaat | Rechtbank Noord-Nederland 12 juli 2016
Onder 2.2 Rechtbank Noord-Nederland 12 juli 2016
Een alinea uit Rechtbank Noord-Nederland 12 juli 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:3373.
Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de beperkte strekking van artikel 4 Wet BRV niet in de weg staat aan de toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit. Immers, artikel 4 Wet BRV beoogt slechts te voorkomen dat de heffing van overdrachtsbelasting wordt ontgaan door middel van het tussenschuiven van een rechtspersoon. Dat is in casu niet aan de orde. Ter ondersteuning van zijn stelling verwijst eiser naar de jurisprudentie die de Hoge Raad heeft gewezen over de samenloop met de vrijstellingen voor bouwterreinen en monumenten, geregeld in artikel 15, eerste lid, onder a, respectievelijk (tot 2010) onder p, van de Wet BRV. Het gaat om de zogeheten doorkijkarresten (Hoge Raad 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7580 en Hoge Raad 23 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AU8559). Naar analogie met die jurisprudentie heeft eiser gesteld dat niet beoogd is om de verkrijging van aandelen in een onroerende zaak-lichaam te belasten, daar waar de rechtstreekse verkrijging van de onderliggende onroerende zaken vrijgesteld zou zijn.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3c8cc7f49c10ba11583633b16d5ccf411289219837ebf0b4e8dde050078002b6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3c8cc7f49c10ba11583633b16d5ccf411289219837ebf0b4e8dde050078002b6, en de alinea staat in dat document op bytes 12895 tot 13944.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/3c8cc7f49c10ba11583633b16d5ccf411289219837ebf0b4e8dde050078002b6 | shasum -a 256