Citaat | Rechtbank Noord-Nederland 1 maart 2017
Onder 4.1.12. Rechtbank Noord-Nederland 1 maart 2017
Een alinea uit Rechtbank Noord-Nederland 1 maart 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:715.
4.1.12.2. Na de beving in Huizinge en zeker na het advies van SodM op 22 januari 2013 had de minister evenwel een andere afweging te maken dan voordien. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 18 november 2015. Die uitspraak betreft weliswaar het instemmingsbesluit van januari 2015 en het wijzigingsbesluit van juni 2015 betreffende de gaswinning in de periode 1 januari 2014 tot en met 30 september 2016, maar de door de Afdeling bij de desbetreffende besluiten geplaatste kanttekeningen zijn ook van belang bij de beoordeling van de vraag of de minister ambtshalve niet al eerder en tot een grotere reductie van de gaswinning had moeten besluiten. De Afdeling overweegt dat de minister op grond van artikel 36 Mbw voor het bepalen van de maximale hoeveelheid te winnen gas een afweging moet maken tussen enerzijds de veiligheid van de personen in het aardbevingsgebied en anderzijds de minimale hoeveelheid gas die zou moeten worden gewonnen om in een gemiddeld jaar leveringszekerheid te garanderen. In dat verband achtte de Afdeling niet deugdelijk gemotiveerd waarom een verdere beperking van de gaswinning dan tot de in het wijzigingsbesluit genoemde 33 miljard m3 per jaar niet mogelijk is, terwijl een verdere beperking wél bijdraagt aan de veiligheid in het aardbevingsgebied. Die vraag dringt zich naar het oordeel van de rechtbank temeer op voor de periode direct na de beving in Huizinge, aangezien de minister heeft toegelaten dat in het kalenderjaar 2013 53,87 miljard m3 en in het kalenderjaar 2014 42,41 miljard m3 gas is gewonnen. Daarbij wijst de rechtbank erop dat de minister geen gehoor heeft gegeven aan het advies van zijn eigen adviseur SodM van 22 januari 2013 om vanuit het oogpunt van veiligheid de gasproductie zoveel als mogelijk en realistisch was te beperken, terwijl vervolgens al in februari 2013 meerdere relatief zware aardbevingen elkaar opvolgden. Het argument van de minister dat er begin 2013 nog geen wetenschappelijk bewijs was dat een verlaging van de productie (op korte termijn) tot vermindering van de aardbevingen zou leiden is weinig overtuigend. Te minder omdat SodM de minister had laten weten dat NAM, KNMI en hij het erover eens zijn dat een relatie bestaat tussen het productietempo en het aantal en de sterkte van de bevingen. De Staat suggereert weliswaar dat de minimale leveringszekerheid in 2013 en 2014 hoger was dan de door GTS berekende 33 miljard m3 en/of dat andere zwaarwegende belangen in die jaren aan een lagere winning in de weg hebben gestaan, maar de Staat heeft niet onderbouwd dat en in hoeverre dit ook feitelijk het geval is geweest.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/16b242be5a54c6e814a20f977c73e1818d70587d0acb036ac8257abc9d9b32e5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 16b242be5a54c6e814a20f977c73e1818d70587d0acb036ac8257abc9d9b32e5, en de alinea staat in dat document op bytes 83185 tot 85841.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/16b242be5a54c6e814a20f977c73e1818d70587d0acb036ac8257abc9d9b32e5 | shasum -a 256