Citaat | Rechtbank Oost-Brabant 2 november 2026

Alinea 38 Rechtbank Oost-Brabant 2 november 2026

Een alinea uit Rechtbank Oost-Brabant 2 november 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:7686.

Bij de beoordeling van de ernst van dit vormverzuim en de gevolgen die daaraan moeten worden verbonden stelt de rechtbank voorop dat artikel 359a Sv een bevoegdheid en niet een plicht formuleert om rechtsgevolgen te verbinden aan vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek. Een van de mogelijke rechtsgevolgen is dat volstaan kan worden met de constatering dat een vormverzuim is begaan. Aan de rechtspraak over de verschillende in artikel 359a Sv genoemde rechtsgevolgen ligt als uitgangspunt ten grondslag dat het rechtsgevolg in verhouding moet staan tot de aard en de ernst van het vormverzuim en het door de verdachte als gevolg van het vormverzuim geleden nadeel. Dat betekent tevens dat, waar mogelijk, wordt volstaan met het – vanuit het perspectief van de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen bezien – minst verstrekkende rechtsgevolg.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dcfa046fdbbce784c02bacb4726da889599118d4822de1aef239623b7a13f96d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dcfa046fdbbce784c02bacb4726da889599118d4822de1aef239623b7a13f96d, en de alinea staat in dat document op bytes 14683 tot 15578.