Citaat | Rechtbank Overijssel 11 maart 2014

Onder 3.3.2 Rechtbank Overijssel 11 maart 2014

Een alinea uit Rechtbank Overijssel 11 maart 2014, ECLI:NL:RBOVE:2014:1214.

Of er sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen [geopposeerde] en MCMInnovation dient beoordeeld te worden aan de hand van de in artikel 7: 610 van het Burgerlijk Wetboek (BW) genoemde criteria. Daartoe dient uiteraard sprake te zijn van verbondenheid tussen partijen ( zie prof. L. Verburg ‘Payrolling: over duiding en verbinding’, Ars Aequi, december 2013, pag. 907 e.v.) . Een schriftelijke overeenkomst is daartoe evenwel niet vereist. Een arbeidsovereenkomst kan immers vormvrij tot stand komen, derhalve (ook) mondeling of blijken uit de verklaringen en gedragingen van partijen jegens elkander. Onder omstandigheden als genoemd in artikel 7: 610a BW kunnen feitelijke gedragingen tot een wettelijk vermoeden leiden. Nu [geopposeerde] niet gedurende drie aaneengesloten maanden werkzaamheden voor MCMInnovation heeft verricht, is hiervan geen sprake.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4e15f3ddf8e25de03add6300f145f21a17d8beb9f2cd8eab8dfd89fcdf285d2c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4e15f3ddf8e25de03add6300f145f21a17d8beb9f2cd8eab8dfd89fcdf285d2c, en de alinea staat in dat document op bytes 24301 tot 25211.