Citaat | Rechtbank Overijssel 26 april 2016
Onder 4.12. Rechtbank Overijssel 26 april 2016
Een alinea uit Rechtbank Overijssel 26 april 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:1507.
In de literatuur en rechtspraak wordt veelal, maar niet eensluidend, (zie onder meer mr. K.G.F. van der Kraats, ‘Bewijzen vermoeit de waarheid, althans de procedure?’ , Arbeidsrecht 2014/59) aangenomen dat in geval van ontbinding onder de Wwz het bewijsrecht, anders dan onder het oude recht, wel van toepassing is en de uitzondering genoemd in het laatste zinsdeel van artikel 284 lid 1 Rv zich niet voordoet. Aan die gedachte ligt ten grondslag dat onder de Wwz hoger beroep en cassatie van ontbindingsbeslissingen mogelijk is gemaakt, waarmee aan de ontbinding het karakter van spoedeisendheid is ontnomen. De vraag dringt zich op of, als juist is dat moet worden aangenomen dat het bewijsrecht op ontbindingsprocedures onder de Wwz van toepassing is, dat ook geldt in gevallen waarin voorwaardelijke ontbinding wordt verzocht. Immers met de voorwaardelijke ontbinding wordt beoogd binnen afzienbare tijd duidelijkheid, over het al dan niet eindigen van de arbeidsovereenkomst, te verkrijgen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/97fd8112f50742dec390647ea7254f77b22b7f2ae9ddd0ad2566299d02434e4b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 97fd8112f50742dec390647ea7254f77b22b7f2ae9ddd0ad2566299d02434e4b, en de alinea staat in dat document op bytes 55108 tot 56154.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/97fd8112f50742dec390647ea7254f77b22b7f2ae9ddd0ad2566299d02434e4b | shasum -a 256