Citaat | Rechtbank Rotterdam 18 december 2002

Alinea 49 Rechtbank Rotterdam 18 december 2002

Een alinea uit Rechtbank Rotterdam 18 december 2002, ECLI:NL:RBROT:2002:AF2141.

Met het buiten beoordeling laten, uiteindelijk ook door de zittingsrechter, van de rechtmatigheid van de wijze waarop de veiligheidsdienst de door haar aan het OM overgedragen inlichtingen heeft verzameld in de fase van de strafrechtelijke procedure waarin bepaald moet worden, of een persoon kan worden aangemerkt als verdachte in de zin van artikel 27, lid 1, Sv, wordt ook geen wezenlijk verdedigingsbelang geschonden. Immers, in de strafrechtelijke procedure staat niet de rechtmatigheid van het feit, de feiten of het feitencomplex dat geleid heeft of die geleid hebben tot het instellen van een strafrechtelijk onderzoek ter beoordeling van het OM en de rechter, maar de rechtmatigheid van de verdenking (is er sprake van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit ten aanzien van betrokkene) in de zin van artikel 27, lid 1, Sv. De rechtbank zal dan ook niet treden in de beoordeling van de door de verdediging betrokken stelling dat door de werkzaamheden van de veiligheidsdienst het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van verdachte is geschonden. De rechtbank zal evenmin een oordeel geven over de stelling van de verdediging dat het niet kunnen horen van een eventueel ingezette infiltrant dan wel informant door de verdediging een schending van artikel 6, derde lid van het EVRM oplevert.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d613dc8ef4dc6b80ccbaf7e243676fc133496f3137265bbe3ab97b234fb2bb7c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d613dc8ef4dc6b80ccbaf7e243676fc133496f3137265bbe3ab97b234fb2bb7c, en de alinea staat in dat document op bytes 23028 tot 24372.