Citaat | Rechtbank Rotterdam 24 januari 2013

Onder 13.1. Rechtbank Rotterdam 24 januari 2013

Een alinea uit Rechtbank Rotterdam 24 januari 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:213.

De rechtbank overweegt verder ambtshalve dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Uit de vaste jurisprudentie met betrekking tot de redelijke termijn als bedoeld in dit verdragsartikel (zie HR 22 april 2005, LJN: AO9006 en HR 19 december 2008, LJN: BD0191) volgt dat voor de berechting van een boetezaak in eerste aanleg als uitgangspunt heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij er sprake is bijzondere omstandigheden. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege het betrokken bestuursorgaan jegens de beboete rechtspersoon een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de redelijke termijn in deze zaak een aanvang genomen met het voornemen tot het opleggen van de boete van 24 september 2010. [A] kon vanaf dat tijdstip redelijkerwijs vermoeden dat aan haar vanwege de overtreding van artikel 2:96 van de Wft een bestuurlijke boete zou worden opgelegd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a4d9bb2d495e5dbb19797fbdbd0d05fdf51bed85fe1cec0ce5e35d68f465bef3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a4d9bb2d495e5dbb19797fbdbd0d05fdf51bed85fe1cec0ce5e35d68f465bef3, en de alinea staat in dat document op bytes 33285 tot 34565.