Citaat | Rechtbank Rotterdam 7 april 2016

Onder 18.2. Rechtbank Rotterdam 7 april 2016

Een alinea uit Rechtbank Rotterdam 7 april 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:2186.

De termijn voor de behandeling van de zaak vangt aan wanneer door ACM jegens in dit geval eiseres een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting heeft ontleend, en in redelijkheid ook de verwachting heeft kunnen ontlenen, dat haar wegens overtreding van de Mw een boete zal kunnen worden opgelegd. In de regel zal deze termijn aanvangen bij het uitbrengen van een rapport als voorzien in artikel 59 van de Mw. In de tweede tranche is dit rapport op 25 oktober 2011 uitgebracht en in de derde tranche op 27 april 2012. Eiseres heeft geen argumenten aangevoerd dat en waarom zij op een eerder moment heeft verwacht en redelijkerwijs heeft kunnen verwachten dat haar ter zake van de onderhavige overtreding van artikel 6 van de Mw een boete zou worden opgelegd. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding de redelijke termijn voor behandeling van deze zaak eerder te laten aanvangen dan 25 oktober 2011.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2abb0fa1bb227d4104571b9d90ac2121c7363357832cce264bc939649f2cf513. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2abb0fa1bb227d4104571b9d90ac2121c7363357832cce264bc939649f2cf513, en de alinea staat in dat document op bytes 120022 tot 120958.