Citaat | Rechtbank Rotterdam 7 april 2016

Onder 8.1. Rechtbank Rotterdam 7 april 2016

Een alinea uit Rechtbank Rotterdam 7 april 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:2189.

De rechtbank overweegt allereerst ten aanzien van de te hanteren bewijsstandaard in dit soort zaken dat het, aangezien het verbod om deel te nemen aan mededingingsverstorende gedragingen en overeenkomsten en de sancties die de inbreukmakers kunnen worden opgelegd bekend zijn, gebruikelijk is dat de activiteiten die met deze gedragingen en overeenkomsten verband houden, clandestien worden verricht, dat de bijeenkomsten in het geheim worden gehouden en dat de desbetreffende documentatie tot een minimum wordt beperkt. De documenten waaruit een inbreuk blijkt zijn doorgaans slechts fragmentarisch en schaars, zodat bepaalde details vaak via deductie moeten worden gereconstrueerd. In de meeste gevallen moet het bestaan van een mededingingsverstorende gedraging of overeenkomst dus worden afgeleid uit een samenloop van omstandigheden en aanwijzingen die in hun totaliteit beschouwd, bij gebreke van een andere coherente verklaring, het bewijs kunnen leveren dat de mededingingsregels zijn geschonden (arrest Aalborg Portland e.a./Commissie, C‑204/00 P, EU:C:2004:6, punten 55-57).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/370ea2d78cb3dfd23bc1c2765db805fe5a1704d2be82ea97e0ed11209c9a12d5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 370ea2d78cb3dfd23bc1c2765db805fe5a1704d2be82ea97e0ed11209c9a12d5, en de alinea staat in dat document op bytes 30318 tot 31418.