Citaat | Rechtbank Rotterdam 25 oktober 2016

Onder 1.3. Rechtbank Rotterdam 25 oktober 2016

Een alinea uit Rechtbank Rotterdam 25 oktober 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:8049.

3. Eiser stelt dat artikel 2:35 van de APV onverbindend is, nu dat artikel in hetzelfde onderwerp voorziet als artikel 174, tweede lid, van de Gemeentewet. Dit is niet toegestaan, omdat in de Gemeentewet een uitputtende regeling is opgenomen over de bevelsbevoegdheden van verweerder. Hij verwijst in dit verband naar uitspraken van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg van 17 maart 2014, ECLI:NL:RBLIM:2014:2454 en 5 juni 2015, ECLI:NL:RBLIM:2015:4771 en een arrest van de Hoge Raad van 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1742. De raad van de gemeente Rotterdam is met de vaststelling van het artikel buiten de grenzen van zijn autonome verordenende bevoegdheid getreden. Dit maakt artikel 2:35 van de APV in strijd met artikel 121 van de Gemeentewet. Evenmin is sprake van een uitvoeringsbevoegdheid in de zin van artikel 174, derde lid, van de Gemeentewet. Verder heeft verweerder niet de vermeend door eiser gepleegde strafbare feiten ten grondslag mogen leggen aan het bestreden besluit, aangezien dat in strijd is met artikel 6, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser verwijst in dit verband naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 27 september 2011, Hrdalo tegen Kroatië, nr. 23272/07 (www.echr.coe.int) (het arrest Hrdalo) en een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 11 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:331. Het sluitingsbevel vloeit mede voort uit strafrechtelijk onderzoek en eiser heeft in dat onderzoek de status van verdachte. In het bestreden besluit heeft verweerder vermeld dat aannemelijk is dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen en ondergronds bankieren, zodat hij daarmee een oordeel heeft gegeven over de schuld van eiser voordat zijn schuld in de strafrechtelijke procedure is komen vast te staan. Dit oordeel blijkt verder uit de toonzetting en de presentatie van de feiten in het in bezwaar gehandhaafde primaire besluit. Verder is DNB al voor het nemen van het primaire besluit tot de conclusie gekomen dat geen sprake is van ondergronds bankieren in de zin van de Wet op het financieel toezicht, hetgeen gelijk kan worden gesteld met een vrijspraak. In de genoemde uitspraak van de Afdeling is geoordeeld dat de reikwijdte van artikel 6, tweede lid, van het EVRM zich ook in dat geval uitstrekt tot een bestuursrechtelijke procedure. Voorts kan verweerder deze bevoegdheid alleen gebruiken als sprake is van een concrete, zich direct aandienende situatie op grond waarvan de openbare orde wordt bedreigd en onverwijld ingrijpen noodzakelijk is, wat hier niet aan de orde is, ook niet als aannemelijk is dat strafbare feiten zijn gepleegd vanuit de winkel. Als er wel een acute bedreiging was geweest van de openbare orde en/of het woonklimaat, zou verweerder al op 7 mei 2013 hebben kunnen en moeten ingrijpen. Sinds dat moment staat de winkel volgens verweerder immers al bekend als ondergrondse bank. Tot slot heeft verweerder zich niet mogen baseren op de bestuurlijke rapportage en heeft hij zich er onvoldoende van vergewist of dat rapport op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en of de feiten de conclusie kunnen dragen. Het ondergronds bankieren mocht niet ten grondslag worden gelegd aan het sluitingsbevel, gelet op de hiervoor genoemde conclusie van DNB, aldus eiser.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ca33e7d7eed305d681b6acb7fff8fd8c35f2cb9418001877453816823f31af51. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ca33e7d7eed305d681b6acb7fff8fd8c35f2cb9418001877453816823f31af51, en de alinea staat in dat document op bytes 9240 tot 12644.