Citaat | Rechtbank Rotterdam 25 oktober 2016

Onder 5.3. Rechtbank Rotterdam 25 oktober 2016

Een alinea uit Rechtbank Rotterdam 25 oktober 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:8049.

Uitspraken van de eerste categorie, zoals hierboven bedoeld, waarin slechts een vermoeden geuit wordt dat betrokkene een strafbaar feit heeft begaan, vormen in het algemeen geen schending van de onschuldpresumptie, terwijl uitspraken van de tweede categorie wel een schending vormen. In het primaire besluit, dat bij het bestreden besluit is gehandhaafd, heeft verweerder vermeld dat “door de vastgestelde feiten en omstandigheden aannemelijk is dat over een lange periode in en vanuit [naam winkel] ernstige strafbare feiten hebben plaatsgevonden” en “dat hiermee voor mij aannemelijk is geworden dat er een groot risico is op overvallen, gijzelingen, dan wel afpersingen”. Uit deze bewoordingen moet worden afgeleid dat verweerder geen oordeel heeft gegeven over de schuld van eiser, voordat zijn schuld in de strafrechtelijke procedure is komen vast te staan. Dat in het advies van de bezwaarschriftencommissie van 7 mei 2015, dat verweerder heeft overgenomen in het bestreden besluit, is opgemerkt dat aannemelijk is dat vanuit de winkel door bezwaarmaker zelf ernstige strafbare feiten zijn gepleegd, houdt naar het oordeel van de rechtbank in dat een vermoeden wordt geuit over de schuld van eiser en niet dat verweerder daarmee heeft beoogd om zijn oordeel te geven over de schuld van eiser.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ca33e7d7eed305d681b6acb7fff8fd8c35f2cb9418001877453816823f31af51. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ca33e7d7eed305d681b6acb7fff8fd8c35f2cb9418001877453816823f31af51, en de alinea staat in dat document op bytes 20161 tot 21480.