Citaat | Rechtbank 's-Gravenhage 24 maart 2003
Alinea 191 Rechtbank 's-Gravenhage 24 maart 2003
Een alinea uit Rechtbank 's-Gravenhage 24 maart 2003, ECLI:NL:RBSGR:2003:AF6172.
78. Hoewel verdachte ter terechtzitting heeft verklaard zich niet meer te kunnen herinneren of zij op de bewuste dag [slachtoffer 10] heeft verpleegd, staat naar het oordeel van de rechtbank op grond van het werkbriefje van week 48 van uitzendbureau Medi Interim en van de verklaringen van de getuigen [getuigen 1t/m 4] vast dat verdachte zich op 27 november 1997 ten tijde van het overlijden op de kamer van deze patiënte heeft bevonden. Immers, op het werkbriefje betreffende (onder andere) 27 november 1997 staat als afdeling 41 vermeld en uit de verklaringen van de getuigen, in onderling verband en samenhang bezien, volgt dat verdachte de verpleegkundige is geweest die aan [getuigen 2 en 4] het verhaal vertelde dat ze met iets anders bezig was, een zucht hoorde en vervolgens [slachtoffer 10] dood in bed aantrof.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2cdb556897da9c259462f607f6447aeaae9c3d4910ff913b62f0643912a1351c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2cdb556897da9c259462f607f6447aeaae9c3d4910ff913b62f0643912a1351c, en de alinea staat in dat document op bytes 90687 tot 91522.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/2cdb556897da9c259462f607f6447aeaae9c3d4910ff913b62f0643912a1351c | shasum -a 256