Citaat | Rechtbank 's-Gravenhage 22 december 2010
Alinea 294 Rechtbank 's-Gravenhage 22 december 2010
Een alinea uit Rechtbank 's-Gravenhage 22 december 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BP3111.
Uit het vorenoverwogene volgt dat, zo eiseres al in staat is het door haar aangeboden getuigenbewijs te leveren, zij dit niet binnen een redelijke termijn kan doen, zodat het inwilligen van het verzoek om de tweede mondelinge behandeling pas te houden nadat eiseres alle door haar genoemde en nog te noemen getuigen zou hebben gehoord, tot een onaanvaardbare vertraging van de procedure zou hebben geleid (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 17 april 1991, nr. 26 676, BNB 1991/161).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cc376d21b2465389999776bfa712730a5033e4f7d3be3720b14d17f9fcbb18a9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cc376d21b2465389999776bfa712730a5033e4f7d3be3720b14d17f9fcbb18a9, en de alinea staat in dat document op bytes 54937 tot 55440.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/cc376d21b2465389999776bfa712730a5033e4f7d3be3720b14d17f9fcbb18a9 | shasum -a 256