Citaat | Rechtbank 's-Gravenhage 9 maart 2011

Alinea 232 Rechtbank 's-Gravenhage 9 maart 2011

Een alinea uit Rechtbank 's-Gravenhage 9 maart 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BP7073.

Waar niet bewezen is dát [gedaagde 1] voorafgaand aan het pleidooi met andere advocaten over de Chipshol-zaak telefonisch contact heeft gehad, geldt uiteraard dat omtrent de inhoud van die vermeende gesprekken evenmin iets kan worden vastgesteld. Maar ook ten aanzien van het telefonische contact dat tussen [gedaagde 1] en [eiser] op 6 december 1994 plaatsgehad zou kunnen hebben, geldt dat niet is komen vast te staan dat daarin inhoudelijk over de zaak is gesproken. Voor zover de verklaringen van [naam 12] al betrekking hebben op wat in het bewuste telefoongesprek inhoudelijk zou zijn besproken, betreft het telkens informatie die is verkregen van [eiser] zelf. Hetzelfde geldt voor de schriftelijke verklaring van [naam 18]. Daarom leggen deze verklaringen tegenover de betwisting daarvan door [gedaagde 1] onvoldoende gewicht in de schaal om te kunnen oordelen dat [gedaagde 1] met [eiser] in het veronderstelde telefoongesprek inhoudelijk over de zaak heeft gesproken. Daar komt bij dat de brief die [eiser] kort na het pleidooi, op 12 december 1994, heeft geschreven naar aanleiding van zijn klachten over het optreden van [gedaagde 1] in de Chipshol-zaak, nu juist geen melding maakt van de inhoudelijke opmerkingen over de zaak die [gedaagde 1] volgens [eiser] zou hebben gemaakt in het telefoongesprek dat zij met elkaar zouden hebben gevoerd. Dat is opmerkelijk. Die brief - die is opgesteld in bewoordingen die op een goudschaaltje zijn gewogen, zoals [eiser] heeft aangevoerd - had immers ten doel de president van de Haagse rechtbank ertoe te bewegen [gedaagde 1] van de behandeling van de Chipshol-zaak af te halen. Indien [gedaagde 1] nu inderdaad in het telefoongesprek waaraan [eiser] refereert, inhoudelijk op de zaak zou zijn ingegaan, is onbegrijpelijk waarom [eiser] daarvan in die brief geen gewag heeft gemaakt. Het zou een ernstig verwijt zijn geweest dat beduidend verder strekt dan de klachten die [eiser] wel in de brief heeft geuit. De omstandigheid dat, wat betreft de inhoud van het telefonische contact, [eiser] in die brief heeft volstaan met te vermelden dat [gedaagde 1] opmerkingen van andere advocaten over hem, [eiser], heeft genoemd, vormt een aanwijzing voor de onjuistheid van [eiser]s latere bewering dat [gedaagde 1] tijdens dat telefoongesprek uitvoerig over de inhoud van de zaak zou hebben gesproken.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f0fa3ffbd8d13cd1364cb09df93e536ad24e8938b5e82c6bc7e0ff40048bbee7. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f0fa3ffbd8d13cd1364cb09df93e536ad24e8938b5e82c6bc7e0ff40048bbee7, en de alinea staat in dat document op bytes 56803 tot 59166.