Citaat | Rechtbank 's-Gravenhage 9 maart 2011

Alinea 259 Rechtbank 's-Gravenhage 9 maart 2011

Een alinea uit Rechtbank 's-Gravenhage 9 maart 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BP7073.

3.9 Dat begin 1997 een telefoongesprek heeft plaatsgevonden tussen [gedaagde 1] en [naam 13] – die sinds 1995 als één van de advocaten van Chipshol is opgetreden – staat vast. [naam 13] heeft als getuige in deze zaak een verklaring afgelegd. Aan het proces-verbaal van (onder meer) zijn getuigenverklaring is gehecht een schriftelijke verklaring van zijn hand van 26 april 2006. Als getuige heeft [naam 13] in die schriftelijke verklaring uitdrukkelijk volhard. De verklaringen van [naam 13] komen op het volgende neer. Er was destijds – eind 1996/begin 1997 – een bodemprocedure aanhangig bij de rechtbank Den Haag tussen (onder meer) Chipshol en een aantal vennootschappen behorend tot de [naam 17] Groep. In dat kader werden tevens voorlopige getuigenverhoren gehouden. Tussen partijen was afgesproken dat de bodemprocedure werd opgeschort totdat die getuigenverhoren zouden zijn afgerond. In strijd met die afspraak werd Chipshol in december 1996 een peremptoir uitstel aangezegd van twee weken voor het nemen van de conclusie van antwoord. Chipshol heeft die conclusie in januari 1997 genomen ([eiser] heeft bij conclusie na enquête een rolbericht overgelegd waaruit blijkt dat op 7 januari 1997 van die conclusie werd gediend). Op de volgende roldatum, 22 januari 1997, zag de wederpartij af van verder concluderen en werd bepaald dat pleidooi zou plaatsvinden op 13 februari 1997 (een en ander vindt bevestiging in het door [eiser] eveneens bij conclusie na enquête overgelegde bericht met betrekking tot die roldag). Met [naam 13] was over dat tijdstip geen overleg gevoerd; een uitnodiging verhinderdagen op te geven had hij niet ontvangen. [naam 13] noch (de vertegenwoordiger van) zijn cliënte waren op 13 februari 1997 beschikbaar (het feit dat hijzelf niet beschikbaar was op 13 februari 1997 alsook dat er geen overleg had plaatsgevonden over de pleidooidatum noch verhinderdagen waren opgevraagd vermeldt [naam 13] ook in zijn brief aan zijn procureur van 23 januari 1997, overgelegd door [eiser] bij conclusie na enquête). Bij onderzoek bleek [naam 13] dat de pleidooidatum was vastgesteld door [gedaagde 1], in zijn hoedanigheid van rolrechter. [naam 13] heeft vervolgens telefonisch contact opgenomen met [gedaagde 1]. In dat telefoongesprek heeft [naam 13] zijn bezwaren kenbaar gemaakt tegen de gang van zaken bij het vaststellen van de pleidooidatum en gevraagd waarom er geen overleg met hem over die datum was gevoerd. Het antwoord van [gedaagde 1] was dat er van de zijde van de rechtbank enige tijd tevoren contact was opgenomen met de secretaresse van [naam 13] en die zou gezegd hebben dat [naam 13] beschikbaar was. [naam 13] heeft [gedaagde 1] gezegd dat hem daarvan niets bekend was (bij navraag, later, bleek geen van de secretaressen op het kantoor van [naam 13] een dergelijk contact te kunnen bevestigen). [naam 13] heeft [gedaagde 1] in het bewuste telefoongesprek gevraagd om uitstel van de pleidooidatum en heeft er in dat verband ook op gewezen dat [naam 2] er belang aan hechtte ter zitting aanwezig te zijn. [gedaagde 1] zag als rolrechter in dat belang geen aanleiding de pleidooidatum te wijzigen. Tijdens het telefoongesprek heeft [gedaagde 1] laten weten dat hij de kamer zou voorzitten ten overstaan waarvan de pleidooien zou worden gehouden. [naam 13] heeft daarop zijn bezwaren daartegen kenbaar gemaakt. Die waren met name gelegen in het feit dat [gedaagde 1] in die casus ook al een kort geding vonnis had gewezen. [gedaagde 1] wees die bezwaren af. Vervolgens heeft [naam 13] belet gevraagd en gekregen bij Van Delden. In dat gesprek heeft [naam 13] de mogelijkheid voorgelegd dat [gedaagde 1] vrijwillig zou terugtreden (zodat een wrakingsverzoek niet nodig zou zijn). Van Delden heeft [naam 13] het advies gegeven een formeel wrakingsverzoek in te dienen. Dat heeft [naam 13] vervolgens gedaan (van dit wrakingsverzoek maakt [naam 13] ook melding in zijn brief aan Van Delden van 3 maart 1997, overgelegd door [eiser] bij conclusie na enquête). [gedaagde 1] heeft zich uiteindelijk teruggetrokken en [naam 13] heeft het wrakingsverzoek daarop ingetrokken. Aldus de weergave van voornoemde verklaringen van [naam 13], die als getuige ook nog verklaarde het bewuste telefoongesprek “embarrassing” gevonden te hebben.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f0fa3ffbd8d13cd1364cb09df93e536ad24e8938b5e82c6bc7e0ff40048bbee7. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f0fa3ffbd8d13cd1364cb09df93e536ad24e8938b5e82c6bc7e0ff40048bbee7, en de alinea staat in dat document op bytes 72433 tot 76732.