Citaat | Rechtbank 's-Gravenhage 9 maart 2011

Alinea 98 Rechtbank 's-Gravenhage 9 maart 2011

Een alinea uit Rechtbank 's-Gravenhage 9 maart 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BP7073.

Ik heb op 6 december 1994 met [naam 6] van de civiele griffie van de rechtbank Den Haag getelefoneerd over de Chipsol-zaak. Ik had een groot aantal producties van de wederpartij ontvangen voorafgaand aan het pleidooi en wilde, om daar adequaat op te kunnen ingaan tijdens het pleidooi, extra spreektijd. Bovendien wilde ik tijdens het pleidooi een maquette laten zien. [naam 6] heeft toen gezegd dat [gedaagde 1] het maar druk had met de zaak en dat hij ook al verschillende andere advocaten daarover had gesproken. Ik heb toen gevraagd of [gedaagde 1] dan ook mij wilde terugbellen. Dat is later op die dag ook gebeurd. Tot mijn verbazing gaf [gedaagde 1] in het telefoongesprek aan dat hij helemaal geen behoefte had aan een pleidooi. Hij gaf mij een analyse van de zaak. Hij zei dat het wellicht ongebruikelijk was dat hij zo op de zaak inging, maar dat hij modern was in dat opzicht en een voorstander was van mediation. Ik heb wel een kwartier met hem gesproken. In dit telefoongesprek heeft [gedaagde 1] ook gezegd dat hij met de andere advocaten telefonisch had gesproken. Mijn secretaresse die in de kamer naast mij zat met de deur open, kan hieromtrent verklaren.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f0fa3ffbd8d13cd1364cb09df93e536ad24e8938b5e82c6bc7e0ff40048bbee7. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f0fa3ffbd8d13cd1364cb09df93e536ad24e8938b5e82c6bc7e0ff40048bbee7, en de alinea staat in dat document op bytes 19389 tot 20574.