Citaat | Rechtbank 's-Hertogenbosch 19 maart 2007

Alinea 138 Rechtbank 's-Hertogenbosch 19 maart 2007

Een alinea uit Rechtbank 's-Hertogenbosch 19 maart 2007, ECLI:NL:RBSHE:2007:BA0931.

Ten aanzien van argument 1 en 2 overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op de duur en het verloop van het verhoor, de vraagstelling van verbalisanten en de toonzetting is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een ongeoorloofde sturing door de politie. Verbalisanten hebben verdachte weliswaar bij herhaling en indringend bevraagd over de met name in feit 1 besloten liggende beschuldiging, maar de tekst van de woordelijk uitgewerkte verhoren, noch de door de rechtbank beluisterde delen van de DVD's waarop de verhoren zijn opgenomen, maken het aannemelijk dat er sprake is van ontoelaatbare pressie. Evenmin is de rechtbank gebleken of is aannemelijk gemaakt dat verdachte woorden in de mond zijn gelegd met als gevolg dat verdachte is misleid of dat gezegd kan worden dat hij op enigerlei wijze niet in vrijheid kon verklaren. De stelling dat verklaringen van verdachte verdraaid zouden zijn, vindt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende steun in de weergaven van de verhoren en is ook overigens niet aannemelijk geworden. De rechtbank is wel met de verdediging van oordeel dat de verbalisanten in een aantal gevallen op de man hebben gespeeld, in het bijzonder in die gevallen dat zij verwezen naar de mogelijke toekomstige reactie van [slachtoffer] op door verdachte afgelegde verklaringen, en voorts dat verdachten inderdaad in een aantal gevallen tegen elkaar zijn uitgespeeld met name daar waar aan verdachte wordt gesuggereerd dat zijn partner (mede-verdachte (naam medeverdachte) vreemd gaat. Het op deze wijze onder druk zetten van verdachte is naar het oordeel van de rechtbank weliswaar niet fraai maar op zichzelf in een verhoorsituatie, zonder bijkomende omstandigheden waarvan in casu niet is gebleken, niet onrechtmatig. Bij de beoordeling van het derde en vierde argument neemt de rechtbank als uitgangspunt dat de verbalisanten bij aanvang van de verhoren van verdachte op 31 januari 2006 onder meer beschikten over de verklaringen van [getuige] (de feitelijke stiefmoeder van [slachtoffer]) van 20 en 25 januari 2006 (respectievelijk p. 249 en p. 254 van het dossier) en over de verklaring van [getuige] van 25 januari 2006. Laatstgenoemde beschrijft in zijn verhoor dat [slachtoffer] door mede-verdachte (medeverdachte) grof werd uitgekleed, dat [slachtoffer] was vastgebonden op het bed, dat er een rode striem over zijn rug liep en tevens dat alles begon als grap en uitliep op iets gruwelijks (p. 355-357). Tevens waren verbalisanten op de hoogte van de inhoud van de verklaring van [slachtoffer] afgelegd tijdens het studioverhoor op 30 januari 2006 (p. 152). [slachtoffer] verklaart onder meer (p. 159):

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4e48aab37d886b249e7940dbde0520808434e21ad0a4934aeac49e2b676f8f7a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4e48aab37d886b249e7940dbde0520808434e21ad0a4934aeac49e2b676f8f7a, en de alinea staat in dat document op bytes 17328 tot 19993.