Citaat | Rechtbank Utrecht 14 mei 2004

Alinea 45 Rechtbank Utrecht 14 mei 2004

Een alinea uit Rechtbank Utrecht 14 mei 2004, ECLI:NL:RBUTR:2004:AR3086.

Artikel 11 van de Wahv voorziet in het recht van de indiener van een beroepschrift dan wel zijn gemachtigde op inzage van de stukken van het geding en op verstrekking van afschriften daarvan. Uit de tekst noch de strekking van de regeling en evenmin uit de totstandkomingsgeschiedenis ervan valt af te leiden dat de wetgever met voornoemd artikel heeft beoogd een alternatieve openbaarmakingsregeling in het leven te roepen die aan de WOB derogeert. Anders dan de WOB, strekt artikel 11 immers niet tot (publieke) openbaarmaking van informatie maar voorziet het in een bijzondere regeling met betrekking tot kennisneming van de gedingstukken door partijen in de procedure (zie ook in deze zin de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2002, gepubliceerd in AB 2003, nummer 406) en is naar het oordeel van de rechtbank derhalve naast de WOB toepasselijk. Voor zover verweerder heeft betoogd dat toepassing van de WOB een goede werking van de Wahv onmogelijk maakt, overweegt de rechtbank dat een vlotte afdoening van de procedures weliswaar kán worden belemmerd, doch dat dit enkele gegeven van artikel 11 van de Wahv nog geen uitputtende openbaarmakingsregeling maakt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ed4bf0391e1372c4295e421399dd0a9e6acf6f13d940e2b0f8efc69fb4e96cfc. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ed4bf0391e1372c4295e421399dd0a9e6acf6f13d940e2b0f8efc69fb4e96cfc, en de alinea staat in dat document op bytes 15360 tot 16549.