Citaat | Rechtbank Utrecht 20 juli 2005

Alinea 31 Rechtbank Utrecht 20 juli 2005

Een alinea uit Rechtbank Utrecht 20 juli 2005, ECLI:NL:RBUTR:2005:AT9750.

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad is af te leiden, dat voor een bewezenverklaring op grond van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht, niet nodig is de wil om lid te zijn in civielrechtelijke zin, doch het deelnemen in feitelijke zin aan een gestructureerd samenwerkingsverband, dat tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Deelneming aan de misdrijven waarop het oogmerk van de organisatie is gericht, is niet nodig. Volgens de Hoge Raad (HR 18 november 1997, NJ 1998, 225) is voor deelneming in de zin van evengenoemd artikel voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. De betrokkene behoeft dus geen wetenschap te hebben van één of verscheidene concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dacbd3a974addebbe8d9196d287469e6bf4d5e8e8489ff39bec0c4610435ab64. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dacbd3a974addebbe8d9196d287469e6bf4d5e8e8489ff39bec0c4610435ab64, en de alinea staat in dat document op bytes 9353 tot 10200.