Citaat | Rechtbank Utrecht 25 januari 2006
Alinea 100 Rechtbank Utrecht 25 januari 2006
Een alinea uit Rechtbank Utrecht 25 januari 2006, ECLI:NL:RBUTR:2006:AV0662.
4.7 Naar het oordeel van de rechtbank leidt het vorenoverwogene in onderling verband en samenhang bezien tot de conclusie dat het de aandeelhoudersvergadering van [De N], in casu [W. de N] in zijn hoedanigheid van (enig) aandeelhouder duidelijk is geweest dat [B] niet alleen namens [De N], maar ook namens Bovast op zou treden bij de uitvoering van de onder 2.9 weergegeven gemaakte afspraken en ermee heeft ingestemd dat [B] [De N] vertegenwoordigde bij het aangaan van de overeenkomst van geldlening en het vestigen van de beide pandrechten. Hoewel er geen expliciet aanwijzingsbesluit is genomen, is naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak voldaan aan de strekking van artikel 14 van de statuten en 2:256 BW, en moet [B] geacht worden te zijn aangewezen als vertegenwoordiger van [De N] bij het aangaan de overeenkomst van geldlening en het vestigen van de pandrechten. Dat betekent dat [De N] aan die rechtshandelingen gebonden is en dat de vorderingen van de curator moeten worden afgewezen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5cdca8f5a9dbcd565c979c9223ecad3970f8bbfae7bc84650b38431b92a4b6c1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5cdca8f5a9dbcd565c979c9223ecad3970f8bbfae7bc84650b38431b92a4b6c1, en de alinea staat in dat document op bytes 26061 tot 27080.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/5cdca8f5a9dbcd565c979c9223ecad3970f8bbfae7bc84650b38431b92a4b6c1 | shasum -a 256