Citaat | Rechtbank Utrecht 23 december 2009
Alinea 46 Rechtbank Utrecht 23 december 2009
Een alinea uit Rechtbank Utrecht 23 december 2009, ECLI:NL:RBUTR:2009:BK7569.
4.5. Indien de aanwijzing van een derde als begunstigde voor de verzekeringsuitkering als derdenbeding in de zin van artikel 6:253 BW kan worden aangemerkt, heeft de derde begunstigde, die de aanwijzing aanvaardt, overeenkomstig de vaste rechtspraak van de Hoge Raad, een zelfstandig recht op de verzekerde uitkering bij het overlijden van de verzekerde. De door [eisers] verdedigde “leer van het afgeleide recht”, dat wil zeggen een recht dat afkomstig is uit het vermogen van de verzekeringnemer, is weliswaar ook in de rechtsgeleerde literatuur wel verdedigd, zij het zeker niet door alle schrijvers, maar die leer is niet door de Hoge Raad aanvaard. Dat de Hoge Raad in zijn na te noemen arrest van 3 januari 1940 de leer van het afgeleide recht heeft gevolgd, zoals [eisers] heeft betoogd, is niet in die uitspraak te lezen. In die uitspraak heeft de Hoge Raad slechts geoordeeld over de vraag of in dat geval van begunstiging sprake is van een derdenbeding.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4e638d18efd5795cd97ce173329569b523eab69086bce6df367cfab09fab796c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4e638d18efd5795cd97ce173329569b523eab69086bce6df367cfab09fab796c, en de alinea staat in dat document op bytes 12774 tot 13755.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/4e638d18efd5795cd97ce173329569b523eab69086bce6df367cfab09fab796c | shasum -a 256