Citaat | Rechtbank Utrecht 23 juni 2010

Alinea 124 Rechtbank Utrecht 23 juni 2010

Een alinea uit Rechtbank Utrecht 23 juni 2010, ECLI:NL:RBUTR:2010:BM9448.

Voor toewijzing van een voorziening die strekt tot betaling van een geldsom in kort geding is slechts dan aanleiding, als het bestaan en de omvang van de vordering in hoge mate aannemelijk zijn, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling – bij afweging van de belangen van partijen – aan toewijzing niet in de weg staat. [eiser] heeft weliswaar voldoende aannemelijk gemaakt dat hij ten gevolge van de onder 4.10 bedoelde uitlatingen reputatieschade ondervindt, maar geen feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat aan bovengenoemd criterium voor toewijzing van een geldvordering in kort geding is voldaan. Het onder f in de dagvaarding gevorderde voorschot zal zodoende worden afgewezen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/be8ac11345c7500ec522b9bd6e1a57a9022d4e7b1972f6fc3c1b6459622e65b4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt be8ac11345c7500ec522b9bd6e1a57a9022d4e7b1972f6fc3c1b6459622e65b4, en de alinea staat in dat document op bytes 33810 tot 34626.