Citaat | Rechtbank Utrecht 2 februari 2011
Alinea 42 Rechtbank Utrecht 2 februari 2011
Een alinea uit Rechtbank Utrecht 2 februari 2011, ECLI:NL:RBUTR:2011:BP2285.
De rechtbank is van oordeel dat artikel 9, tweede lid, ten vierde, van de Vogelrichtlijn aldus moet worden begrepen dat, indien en voorzover de nationale wetgever een dodingsmethode heeft aangewezen, de door de wetgever aangewezen autoriteit bevoegd is te beslissen welke middelen, installaties of methoden mogen worden aangewend, binnen welke grenzen en door welke personen. Voor de Nederlandse situatie betekent dit dat GS bij het gebruikmaken van de bevoegdheid ontheffing te verlenen maatwerk kunnen leveren door een passende keuze te maken uit de bij wet in formele of materiële zin toegestane methoden of middelen. De andersluidende lezing van verweerder dat een algemene juridische context, zoals bijvoorbeeld het ontheffingsbesluit, voldoende kan zijn voor de volledige toepassing van de richtlijn volgt de rechtbank niet. Een dergelijke lezing zou betekenen dat elk college van GS vrij zou zijn in het kiezen van niet bij wet voorziene dodingsmethoden. Naar het oordeel van de rechtbank zou dit strijd opleveren met de noodzakelijk strikte uitleg van de uitzonderingsmogelijkheid.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/770fea50f8239360da9db075b4324671898a53a0a186929b048d65400d1362e8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 770fea50f8239360da9db075b4324671898a53a0a186929b048d65400d1362e8, en de alinea staat in dat document op bytes 15985 tot 17089.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/770fea50f8239360da9db075b4324671898a53a0a186929b048d65400d1362e8 | shasum -a 256