Citaat | Rechtbank Utrecht 28 januari 2011

Alinea 56 Rechtbank Utrecht 28 januari 2011

Een alinea uit Rechtbank Utrecht 28 januari 2011, ECLI:NL:RBUTR:2011:BP2915.

De rechtbank overweegt in het bijzonder dat de verbalisanten bevoegd waren aan de verdachte te vorderen zijn identiteitsbewijs te tonen op basis van het bepaalde in artikel 8a van de Politiewet. Voornoemde bepaling biedt een ambtenaar van politie de mogelijkheid inzage van een identiteitsbewijs te vorderen als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht van personen, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitoefening van de politietaak. Toen verbalisanten naar aanleiding van een melding van een incident aankwamen bij de [bedrijf 1], hoorden zij verdachte bedreigende en beledigende woorden uiten jegens een man, waarmee hij vermoedelijk kort daarvoor een conflict had gehad. Dit wordt door verbalisant [verbalisant 1] gerelateerd in zijn proces-verbaal van bevindingen. Deze bedreigende en beledigende uitlatingen, die de verbalisanten op heterdaad constateerden, vormden kennelijk de aanleiding verdachte op zijn identiteit te controleren.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2cced04b08aff6f3da62cfb55264703f851f177de4a0626b05eb54f374b9147f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2cced04b08aff6f3da62cfb55264703f851f177de4a0626b05eb54f374b9147f, en de alinea staat in dat document op bytes 14503 tot 15491.