Citaat | Rechtbank Utrecht 1 juni 2011

Alinea 126 Rechtbank Utrecht 1 juni 2011

Een alinea uit Rechtbank Utrecht 1 juni 2011, ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ6884.

[slachtoffer 2] heeft verdachte [verdachte] ontmoet in de zomer van 2008. In juli 2008 heeft hij om haar hand gevraagd. Nadat [verdachte] weer naar Nederland was vertrokken heeft hij haar gebeld met de mededeling dat ze de Nederlandse taal moest leren. [verdachte] zou geld sturen en [slachtoffer 2] heeft zich ingeschreven op een school in Tanger. Het geld voor de Nederlandse lessen werd overgemaakt naar [slachtoffer 2] op naam van [medeverdachte]. Eind december 2008 was [slachtoffer 2] klaar met de cursus en heeft zij in Rabat examen gedaan. Dat examengeld is eveneens voor haar betaald onder de naam van [medeverdachte]. De cursus duurde in totaal 3 maanden. Zij kon de Nederlandse taal niet lezen en schrijven. In Marokko had [slachtoffer 2] 5 jaar op school gezeten. Zij kon Arabisch lezen, niet schrijven.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/08fd3e2ba00a9feef5331a2c8688b0493e1f2246ea00ae4bc42b2c340043c715. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 08fd3e2ba00a9feef5331a2c8688b0493e1f2246ea00ae4bc42b2c340043c715, en de alinea staat in dat document op bytes 30541 tot 31378.