Citaat | Rechtbank Utrecht 1 februari 2012

Alinea 41 Rechtbank Utrecht 1 februari 2012

Een alinea uit Rechtbank Utrecht 1 februari 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:BV2093.

2.11. Het belang van [eiser] – en haar schuldeisers – is er in gelegen dat, in het geval de vorderingen zullen worden toegewezen, hetgeen [gedaagde] op grond van een toewijzende uitspraak aan [eiser] voldoet, op grond van artikel 20 FW in de boedel zal vallen. Hier tegenover staat het belang van [gedaagde], dat hierin bestaat dat zij bij een voor haar gunstige uitspraak de proceskosten op [eiser] zal kunnen verhalen. Hoewel de aan het besluit van de curator ten grondslag liggende redenen niet worden vermeld in haar brief van 25 oktober 2011, mag in het feit dat de curator aan de oproeping tot overneming van het geding geen gehoor heeft gegeven, bewijs worden gezien dat deze van mening is dat de vordering ongegrond is (Kamerstukken II, 1890-91, 100, nr. 3, p. 30). Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat het belang van [gedaagde] bij ontslag van de instantie prevaleert boven het belang van [eiser]. Derhalve is de kantonrechter van oordeel dat de incidentele vordering moet worden toegewezen en dat [gedaagde] in de hoofdzaak dient te worden ontslagen van de instantie.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/71aefde5f5820147f8baf9244c77aae1d5b8953d026c937b56be85829bd44126. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 71aefde5f5820147f8baf9244c77aae1d5b8953d026c937b56be85829bd44126, en de alinea staat in dat document op bytes 12621 tot 13723.