Citaat | Rechtbank Utrecht 15 februari 2012
Alinea 666 Rechtbank Utrecht 15 februari 2012
Een alinea uit Rechtbank Utrecht 15 februari 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:BV3753.
4.19. In de loop van de eerste helft van 2008 is er een aantal ontwikkelingen dat een (verdere) negatieve invloed had op de solvabiliteit van Fortis. Eén van die ontwikkelingen was het verloop van de verkoop van verschillende bedrijfsonderdelen, noodzakelijk in verband met door de Europese Commissie gestelde voorwaarden bij toestemming voor de overname door Fortis van (het haar toekomende gedeelte van) ABN AMRO, hierna aan te duiden met ‘de EC-Remedies’. Verkoop diende volgens de Europese Commissie vóór 3 juli 2008 plaats te vinden, bij gebreke waarvan een onafhankelijke ‘Divestiture Trustee’ de verkoop zou realiseren (2.16.). Op 3 april 2008 kondigde Fortis aan dat het verkoopproces voor de EC-Remedies was gestart (2.41.), waarna in het vervolg van die maand bleek dat voor de overname van die activiteiten drie belangstellenden waren, namelijk Deutsche Bank, RBS en NIBC/Flowers (2.42.). Op 21 april 2008 bracht Deutsche Bank een bod uit op de EC-Remedies, waarna de formele onderhandelingen tussen Fortis en Deutsche Bank een aanvang namen, zo blijkt uit de notulen van de ExCo van 5 mei 2008 (2.52.). Het bod van Deutsche Bank hield in (1) dat zij € 0,5 miljard voor de EC-Remedies wenste te betalen en (2) dat voor een bedrag van € 10 miljard door Fortis, althans ABN AMRO, een garantie moest worden verstrekt voor eventueel in de toekomst te lijden verliezen op de tot de verkoop behorende financiële producten (de credit umbrella). Uit de e-mail van [gedaagde sub 2] van 7 mei 2008 blijkt dat hij zich op dat moment realiseerde dat dit bod van Deutsche Bank veel minder opbracht, dan waarmee Fortis - onder meer in haar solvabiliteitsberekeningen - rekening had gehouden (2.54.). Naast het feit dat de aankoopprijs € 0,3 miljard lager was dan waarop was gerekend op basis van het bedrag waarvoor deze onderdelen bij ABN AMRO waren gewaardeerd (€ 0,8 miljard in plaats van € 0,5 miljard), had de door Deutsche Bank verlangde credit umbrella een grote invloed op de solvabiliteitspositie van Fortis. Daarom stelde [gedaagde sub 2] in bedoelde e-mail van 7 mei 2008 vast dat de mogelijke deal met Deutsche Bank tot gevolg zou hebben dat voor een bedrag van € 1,1 miljard aan extra solvabiliteit zou moeten worden gerealiseerd. Met andere woorden: op 7 mei 2008 wist (in ieder geval) [gedaagde sub 2] dat de op dat moment bij de buitenwereld bekende solvabiliteitspositie van Fortis (op basis van look through eind 2009) aanpassing behoefde indien een overeenkomst met Deutsche Bank zou worden gesloten op basis van de door deze bank gestelde prijs en voorwaarden. [gedaagde sub 2] beschouwde deze constatering als ‘a serious problem’ (2.54.) .
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/85eac5c53268226a7e6f2d3d2554772061a8d0816526535684686eaf19257814. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 85eac5c53268226a7e6f2d3d2554772061a8d0816526535684686eaf19257814, en de alinea staat in dat document op bytes 177344 tot 180042.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/85eac5c53268226a7e6f2d3d2554772061a8d0816526535684686eaf19257814 | shasum -a 256