Citaat | Rechtbank Utrecht 11 april 2012

Alinea 69 Rechtbank Utrecht 11 april 2012

Een alinea uit Rechtbank Utrecht 11 april 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:BW3458.

4.9. Naar het oordeel van de rechtbank is de verjaringstermijn ex artikel 3:310 BW van de vordering van [A] gaan lopen toen duidelijk werd dat het ‘financiële plan’ niet verliep zoals aan [A] was voorgespiegeld en [A] zijn financiële verplichtingen uit hoofde van de hypothecaire geldlening niet meer, althans steeds moeilijker kon voldoen zodanig dat [A] zich genoodzaakt zag zich te wenden tot SNS Bank voor overleg. Voorzover de Stichting W&P met haar stelling dat zij is te beschouwen als een deskundige teneinde te onderzoeken of sprake was van een aansprakelijke partij, wil betogen dat pas nádat zij tot de conclusie was gekomen dat er gronden waren om SNS Bank aan te spreken, de verjaringstermijn aanvang heeft genomen, faalt dit betoog. Het zou in strijd zijn met de rechtszekerheid wanneer de aanvang van de verjaring afhankelijk zou zijn van het tijdstip waarop de benadeelde besluit uit te zoeken hoe de situatie juridisch beoordeeld dient te worden. Gelet op het hierboven genoemde criterium is geen andere conclusie mogelijk dan dat de vordering van [A] is verjaard. De rechtbank licht dit als volgt toe. Uit het door SNS Bank overgelegde, door de Stichting W&P niet weersproken overzicht volgt dat in maart 2004 overleg is gevoerd tussen [A] en SNS Bank over de in juni 2001 bij SNS Bank afgesloten hypothecaire lening. Op basis van voormeld criterium is de verjaringstermijn derhalve in maart 2004 gaan lopen en had deze op de in artikel 3:317 BW bepaalde wijze (dus op schrift) moeten worden gestuit (in ieder geval) vóór 1 april 2009 teneinde verjaring te voorkomen. De vordering is echter niet eerder gestuit dan op of omstreeks 6 mei 2009, toen de raadsman van de Stichting W&P aan SNS Bank mededeling heeft gedaan van de onder 2.3. bedoelde cessies. Ter zitting heeft de Stichting W&P zich nog wel beroepen op een brief uit 2005, maar in het licht van het verweer van SNS Bank is dit onvoldoende concreet om de Stichting W&P toe te laten tot bewijs. Niet alleen is onduidelijk gebleven wanneer deze vermeende brief is verstuurd, ook is niet aangegeven wat de inhoud van deze brief is. Temeer nu de Stichting W&P het overleg tussen de benadeelden/cedenten en SNS Bank als klagen/stuiten jegens SNS Bank kwalificeert, terwijl de door SNS Bank overgelegde regelingen als uitkomsten van dit overleg erop wijzen dat in de periode 2004-2008 alleen nog maar werd geklaagd over de adviezen van [X] en niet over nalatig handelen van SNS Bank zelf, had het op de weg gelegen van de Stichting W&P om haar beroep op stuiting voldoende feitelijk te onderbouwen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a8484b90565a665af4c7d5d69cea7857398f0991f8204153e5a52a8fb7e17280. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a8484b90565a665af4c7d5d69cea7857398f0991f8204153e5a52a8fb7e17280, en de alinea staat in dat document op bytes 24236 tot 26856.