Citaat | Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21 mei 2015

Onder 2.6 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21 mei 2015

Een alinea uit Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21 mei 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:3321.

De rechtbank overweegt daarbij dat de situatie waarin een schuldenaar op eigen aangifte in staat van faillissement wil worden verklaard wezenlijk verschilt van de situatie waarin één of meer schuldeisers het faillissement aanvraagt of aanvragen. In het eerste geval weet de schuldenaar, of behoort de schuldenaar redelijkerwijze te weten, dat er evident niets te vereffenen valt en er bovendien geen behoefte is aan de inzet van de bijzondere bevoegdheden van een curator. De schuldenaar wordt daarom geacht de hiervoor beschreven onevenredigheid tussen zijn belangen en die van de curator te kennen. Bij een derde-aanvrager zal de kennis over de (te verwachten) activa doorgaans niet (voldoende) aanwezig zijn, zodat behoefte is aan een grondig onderzoek door een curator naar de aanwezigheid van vermogen of de verwachting dat binnen afzienbare tijd dergelijk vermogen aanwezig zal zijn (vgl. HR 10 mei 1974, NJ 1975, 267 en HR 10 november 2000, NJ 2001, 249). Het onderzoek door een curator heeft bij een eigen aangifte als hiervoor bedoeld echter geen toegevoegde waarde.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/763d4d23349bd4b206c700dfaf3195be2e8d7a1ceb7e8fa3e46d753cc9f5bc32. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 763d4d23349bd4b206c700dfaf3195be2e8d7a1ceb7e8fa3e46d753cc9f5bc32, en de alinea staat in dat document op bytes 14240 tot 15331.