Citaat | Rechtbank Zeeland-West-Brabant 7 november 2016
Onder 2 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 7 november 2016
Een alinea uit Rechtbank Zeeland-West-Brabant 7 november 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:6945.
De rechtbank is van oordeel dat bij de toetsing aan artikel 7.3, tweede lid, onder a, sub III van de Vr 2014 alle geurgevoelige objecten moeten worden betrokken. In de eerste plaats geeft de tekst van de VR 2014 geen aanleiding voor de veronderstelling dat de provinciale staten (voormalige) bedrijfswoningen niet als geurgevoelig object heeft willen aanwijzen. Weliswaar is de term ‘geurgevoelig object’ niet in de Vr2014 gedefinieerd in de tekst van de Vr 2014 of de toelichting, maar de rechtbank is van oordeel dat provinciale staten hebben willen aansluiten bij de definitie van geurgevoelig object in artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderijen. Binnen deze definitie zijn ook (voormalige) bedrijfswoningen een geurgevoelig object. De omstandigheid dat ingevolge deze wet voor (voormalige) bedrijfswoningen andere geurnormen respectievelijk afstandsnormen gelden dan voor overige geurgevoelige objecten, leidt niet tot het oordeel dat artikel 7.3, tweede lid onder a sub III van de Vr 2014 geen betrekking heeft op (voormalige) bedrijfswoningen. De strekking van de regeling op grond van de Vr 2014 is een andere dan de strekking van de Wgv. Bij de Vr 2014 gaat het om de normering van de zogenaamde achtergrondbelasting, terwijl de Wgv ziet op de normering van de voorgrondbelasting. De normering van de voorgrondbelasting geschiedt op inrichtingsniveau, de normering van de achtergrondbelasting op gebiedsniveau. Het standpunt van het college en vergunninghoudster dat het college beschikt over beleidsvrijheid bij de invulling van het begrip geurgevoelig object deelt de rechtbank niet. Het betreft hier een begrip in een in een algemeen verbindend voorschrift van een ander bestuursorgaan. Een ander oordeel zou ertoe leiden dat binnen een deel van gemeenten in Noord-Brabant geen bescherming wordt geboden aan (voormalige) bedrijfswoningen en een ander deel wel. Nergens blijkt echter dat provinciale staten in de Vr 2014 een onderscheid hebben willen maken dan wel gemeenten de vrijheid hebben willen gunnen om hierin een keuze te maken.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3f5830fa3e44d62d751bcd6d2a4032ce88c0abb032f3ad638f359c73a9c3faca. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3f5830fa3e44d62d751bcd6d2a4032ce88c0abb032f3ad638f359c73a9c3faca, en de alinea staat in dat document op bytes 18398 tot 20471.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/3f5830fa3e44d62d751bcd6d2a4032ce88c0abb032f3ad638f359c73a9c3faca | shasum -a 256