Citaat | Rechtbank Zeeland-West-Brabant 9 februari 2017

Onder 3.7.5 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 9 februari 2017

Een alinea uit Rechtbank Zeeland-West-Brabant 9 februari 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:851.

De inlichtingenplicht ex artikel 7:448 lid 1 BW hangt nauw samen met de vereiste toestemming van de patiënt, die is neergelegd in artikel 7:450 BW, voordat met een onderzoek of behandeling kan worden aangevangen. Beide artikelen strekken ertoe een patiënt in staat te stellen goed geïnformeerd te beslissen of hij al dan niet toestemming voor een behandeling zal geven (het zogenaamde “informed consent”). Als hiervan geen sprake is, is het aan de patiënt die vergoeding van schade vordert om vervolgens te stellen en zo nodig bewijzen dat indien hij voldoende was geïnformeerd, hij als redelijk handelende patiënt (objectieve maatstaf) in de gegeven omstandigheden niet zou hebben gekozen voor deze behandeling en/of dat hij om persoonlijke redenen (subjectieve maatstaf) niet voor deze behandeling zou hebben gekozen (HR 23 november 2001). Bij de beantwoording van de vraag of een redelijk handelende patiënt, als hij goed was voorgelicht, van de behandeling zou hebben afgezien, is van belang hoe groot het risico was, hoe de situatie zich zou hebben ontwikkeld zonder behandeling, of er redelijkerwijs minder risicovolle behandelingen waren en wat daarvan de kans op succes was.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2c43d4e6bd786cab361e8f9fc548a920a81366068f9a3dbb0e1ddbf63987e2dc. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2c43d4e6bd786cab361e8f9fc548a920a81366068f9a3dbb0e1ddbf63987e2dc, en de alinea staat in dat document op bytes 23279 tot 24485.