Citaat | Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26 februari 2019
Onder 2.9. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26 februari 2019
Een alinea uit Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26 februari 2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:801.
De hoofdvraag van de rechtbank betreffende de principiële onvergelijkbaarheid heeft geleid tot de eerste prejudiciële vraag van de Hoge Raad aan het Hof van Justitie. Inmiddels heeft de Hoge Raad zijn verzoek tot beantwoording van die vraag ingetrokken. Mede gelet op het arrest Fidelity Funds en de conclusie Wattel lijkt de veronderstelling gerechtvaardigd dat deze beslissing tot intrekking impliceert dat de Hoge Raad van oordeel is dat het antwoord op zijn eerste prejudiciële vraag bevestigend zou zijn en dat de Hoge Raad dus terugkomt op de principiële onvergelijkbaarheid. Als die veronderstelling juist is, dan zou een belangrijke basis verdwijnen om de bij de rechtbank aanhangige zaken aan te houden. De door de Hoge Raad gehandhaafde twee vragen kunnen weliswaar ook voor veel andere zaken relevant zijn, maar ze zijn wat casus- en landspecifieker en hebben een beduidend minder verstrekkende zaaksoverstijgende betekenis dan de kwestie van de principiële onvergelijkbaarheid.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fdb72e494ae2f3a5700dc2786d5a6303f7ad95ac9a152605493e379205dc0b70. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fdb72e494ae2f3a5700dc2786d5a6303f7ad95ac9a152605493e379205dc0b70, en de alinea staat in dat document op bytes 25686 tot 26694.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/fdb72e494ae2f3a5700dc2786d5a6303f7ad95ac9a152605493e379205dc0b70 | shasum -a 256