Citaat | Raad van State 3 december 2001
Alinea 32 Raad van State 3 december 2001
Een alinea uit Raad van State 3 december 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AD8707.
2.5.1. Er is geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij gegronde vrees voor vervolging heeft. De vreemdeling heeft ter staving van haar aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden overgelegd, die beoordeling van haar aanvraag mogelijk maken en de staatssecretaris heeft in de door haar gestelde feiten en omstandigheden geen grond hoeven vinden haar de gevolgen daarvan niet toe te rekenen. Dat een reisagent haar, zoals zij stelt, terzake bepaalde eisen heeft gesteld, kan niet afdoen aan haar eigen verantwoordelijkheid voor de onderbouwing - waar mogelijk - van haar reis- en asielrelaas. De vreemdeling is bovendien niet in staat gebleken verifieerbare verklaringen af te leggen omtrent haar gestelde vijf weken durende reis van Jordanië naar Nederland. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt mogen stellen dat zij aldus afbreuk heeft gedaan aan de in beginsel aanwezige bereidheid om haar relaas, voor zover consistent en niet onaannemelijk, voor waar te houden, in zoverre redelijkerwijs geen onderbouwing kan worden gevergd.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f680a8ce3ead2099a71f8b0a08c6995e9864c8c8253317afcbdc53c409668f05. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f680a8ce3ead2099a71f8b0a08c6995e9864c8c8253317afcbdc53c409668f05, en de alinea staat in dat document op bytes 13130 tot 14340.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/f680a8ce3ead2099a71f8b0a08c6995e9864c8c8253317afcbdc53c409668f05 | shasum -a 256