Citaat | Raad van State 9 januari 2002

Alinea 33 Raad van State 9 januari 2002

Een alinea uit Raad van State 9 januari 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AD8969.

2.3.2. De rechtbank heeft zich ten onrechte onbevoegd verklaard van het door appellant bij de rechtbank ingestelde beroep kennis te nemen. De toepassing van de Vrijstellingsregeling door het pensioenfonds betreft een bij wet opgedragen publiekrechtelijk taak. Dit is niet anders wat betreft de in artikel 6 van de Vrijstellingsregeling neergelegde bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling om andere redenen. De toepassing van de Vrijstellingsregeling door het pensioenfonds vindt, of het nu gaat om het verlenen van de verplichte danwel de onverplichte vrijstelling, zijn grondslag in artikel 3, eerste lid, in samenhang met artikel 5, tweede lid, aanhef en onder II, sub l, van de Wet BPF. Blijkens de memorie van antwoord bij het ontwerp van de Wet BPF (TK, zitting 1948-1949, 785, Algemene beschouwingen, paragraaf 3, pagina 8) is met de zinsnede "voor alle of bepaalde groepen van bedrijfsgenoten" in artikel 3, eerste lid, van de Wet BPF bedoeld een soortgelijke bepaling op te nemen als in de wet van 1937 op de verbindendverklaring van collectieve arbeidsovereenkomsten, te weten dat de verbindend verklaarde bepalingen verbindend zijn voor alle werkgevers en werknemers "behalve in de gevallen door Onze Minister uitgezonderd". Het pensioenfonds dient blijkens de memorie van antwoord in dit verband de minister voor te lichten en bij te staan door aan te geven voor welke groepen het verplichtstelling wenst en voor welke groepen vrijstelling kan worden verleend. In de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (hierna: de Wet BPF 2000), die op 21 december 2000 in werking is getreden tegelijk met het vervallen van de Wet BPF, is de toebedeling van deze bestuurstaak aan het pensioenfonds in artikel 13 inmiddels expliciet geregeld. Blijkens de memorie van toelichting op de Wet BPF 2000 is de keuze gemaakt om de bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling aan het bedrijfstakpensioenfonds op te dragen, omdat vrijstellingsverzoeken individuele gevallen betreffen die talrijk kunnen zijn en voor de beoordeling waarvan inhoudelijk gespecialiseerde kennis nodig is van de betreffende pensioenregeling, welke met name bij het betreffende bedrijfstakpensioenfonds aanwezig is (TK, vergaderjaar 1999-2000, 27 073, nr. 3, pagina 15). Dat het verlenen van vrijstelling evenals de verplichtstelling een overheidstaak betreft, blijkt ook uit de in zowel de Wet BPF, in artikel 16, als in de Wet BPF 2000, in artikel 15, geregelde vrijstellingsbevoegdheid van de minister in bijzondere en individuele gevallen. Gelet op het vorenstaande is het pensioenfonds, wat betreft de toepassing van de Vrijstellingsregeling, een persoon of college met enig openbaar gezag bekleed, in de zin van artikel 1:1, eerste lid, onder b, van de Awb en moet derhalve in zoverre als bestuursorgaan worden aangemerkt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8d7bf95c0c0156704b782603105672b26c9663303fd5212dee24e84bc4bee781. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8d7bf95c0c0156704b782603105672b26c9663303fd5212dee24e84bc4bee781, en de alinea staat in dat document op bytes 13577 tot 16418.