Citaat | Raad van State 8 mei 2002

Alinea 31 Raad van State 8 mei 2002

Een alinea uit Raad van State 8 mei 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE2428.

Niet valt in te zien dat appellant, gezien zijn belang om uiterlijk in 2000 te komen tot een reductie van visserij-inspanningen van 50% ten opzichte van 1996, nadat andere maatregelen daarvoor onvoldoende gebleken waren, niet in redelijkheid tot vaststelling van de regeling heeft kunnen komen. Aan genoemd belang heeft appellant meer gewicht kunnen toekennen dan aan het gegeven dat sommige vissers door de regeling zwaarder werden getroffen dan andere, die ingevolge het door de producentenorganisatie goedgekeurde visplan in de desbetreffende week reeds een zogenaamde stilligweek overeengekomen waren. De zeer korte tijd tussen afkondiging en inwerkingtreding van de regeling maakt nog niet dat van willekeur sprake is. Dat de regeling sommige vissers – onder wie [vergunninghouder] - voor het probleem stelde dat zij zich aan de overtreding van het daarin vervatte verbod niet of niet geheel konden onttrekken, zal een rol kunnen spelen bij een nieuwe beoordeling van de rechtmatigheid van de intrekkingsbesluiten, uitgaande van de verbindendheid van de regeling.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e35d26a7a441a6d0ebd1b2337bae59ef22118a332b366608deb60427b668d024. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e35d26a7a441a6d0ebd1b2337bae59ef22118a332b366608deb60427b668d024, en de alinea staat in dat document op bytes 10819 tot 11902.