Citaat | Raad van State 4 april 2007
Alinea 40 Raad van State 4 april 2007
Een alinea uit Raad van State 4 april 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA2245.
2.3.1. Het betoog van appellant slaagt niet. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de verlening van een verlof de houder in een uitzonderingspositie plaatst ten opzichte van zijn medeburgers. Wanneer aan de houder die uitzonderingspositie niet meer kan worden toevertrouwd kan het verlof worden ingetrokken. Deze intrekking heeft niet als doel de houder te straffen, maar het beëindigen van de uitzonderingspositie van de houder en daarmee het waarborgen van de veiligheid van de samenleving. Nu geen sprake is van een punitieve sanctie heeft de rechtbank appellant terecht niet gevolgd in zijn betoog dat de aard van de bevoegdheid aan mandatering in de weg stond. Voorts heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat artikel 6 van het EVRM niet aan intrekking van het verlof in de weg staat. Dat hetgeen appellant binnen deze procedure naar voren heeft gebracht niet tot het door hem gewenste resultaat heeft geleid, biedt geen grond voor het oordeel dat het appellant onmogelijk is gemaakt tegenbewijs te leveren met betrekking tot hetgeen in de processen-verbaal is neergelegd.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cc2ca54f6b862a5e7f6d27703b8ae65bccc5e27ea7670936e58ec2aa82ecb348. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cc2ca54f6b862a5e7f6d27703b8ae65bccc5e27ea7670936e58ec2aa82ecb348, en de alinea staat in dat document op bytes 11385 tot 12489.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/cc2ca54f6b862a5e7f6d27703b8ae65bccc5e27ea7670936e58ec2aa82ecb348 | shasum -a 256