Citaat | Raad van State 13 oktober 2010

Alinea 43 Raad van State 13 oktober 2010

Een alinea uit Raad van State 13 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO0794.

2.4.3. In dat kader heeft de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat artikel 8 van het EVRM geen positieve verplichting met zich brengt de vreemdeling vrij te stellen van het vereiste over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: het mvv vereiste) te beschikken. Daarbij heeft de staatssecretaris terecht in aanmerking genomen dat, nu de vreemdeling hier te lande nimmer rechtmatig heeft verbleven, de gevolgen van de omstandigheid dat zij in Nederland familie- en gezinsleven heeft opgebouwd voor haar risico komen. Dat, zoals de vreemdeling stelt, vanwege de verlening van het Nederlanderschap aan haar dochter en echtgenoot haar banden met Nederland zijn versterkt, doet hieraan niet af. Hoewel de staatssecretaris zich op het standpunt heeft gesteld dat van de echtgenoot niet kan worden verwacht terug te keren naar Azerbeidzjan, heeft de vreemdeling niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een uitzichtloze situatie, als bedoeld in paragraaf B2/10.2.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000, waarin op voorhand al volstrekt duidelijk is dat nimmer aan de vereisten voor verlening van een verblijfsvergunning zal kunnen worden voldaan en waarin het vragen van inspanningen om alsnog aan de vereisten te gaan voldoen, zinloos is. Voorts heeft de staatssecretaris de omstandigheid dat de dochter reeds zes jaar in Nederland verblijft en hier te lande rechtmatig verblijf heeft, niet ten onrechte niet als zodanig bijzonder aangemerkt dat hij om die reden alsnog vrijstelling van het mvv-vereiste had moeten verlenen. Het in dat verband door de vreemdeling gedane beroep op de artikelen 3 en 27 van het IVRK slaagt niet. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 november 2008 in zaak nr. 200802463/1; www.raadvanstate.nl), strekt artikel 3 van het IVRK niet verder dan dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Nu uit het besluit blijkt dat de staatssecretaris specifiek is ingegaan op de belangen van de dochter, heeft de staatssecretaris zich voldoende rekenschap gegeven van deze belangen. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevatten de artikelen 3 en 27 van het IVRK geen normen die door de rechter direct toepasbaar zijn. Voorts kan aan het rapport niet de door de vreemdeling gewenste waarde worden gehecht, nu dit niet specifiek betrekking heeft op de dochter van de vreemdeling.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2d2849cdd5e827e70fd43a36d925fd8533f5b8dae4bad9714fd85945c9330db5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2d2849cdd5e827e70fd43a36d925fd8533f5b8dae4bad9714fd85945c9330db5, en de alinea staat in dat document op bytes 15959 tot 18461.