Citaat | Raad van State 17 november 2010

Alinea 40 Raad van State 17 november 2010

Een alinea uit Raad van State 17 november 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO4219.

2.4.1. Zoals volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 18 maart 2009 in zaak nr. 200805284/1 , 24 maart 2010 in zaak nr. 200904414/1/H2 en 28 april 2010 in zaak nr. 200902650/1/H2 , geldt ingevolge artikel 13, eerste lid, van het Bijdragebesluit 1999 als hoofdregel dat een declaratie vóór 1 oktober van het jaar volgend op de beëindiging van de opsporings- of ruimingswerkzaamheden moet worden ingediend om voor een bijdrage in aanmerking te kunnen komen en bevat het tweede lid een uitzondering op die hoofdregel voor het indienen van een declaratie voor opsporingswerkzaamheden - waaronder ook ruimingswerkzaamheden die daarvan het gevolg zijn, dienen te worden begrepen - die een doorlooptijd hebben van langer dan 12 maanden. De rechtbank heeft voor de bepaling van de indieningstermijn bij toepassing van het tweede lid derhalve terecht aansluiting gezocht bij het eerste lid van dit artikel. Daarbij heeft zij evenwel ten onrechte het moment van beëindiging van de opsporings- of ruimingswerkzaamheden als neergelegd in het eerste lid, bepalend geacht. Dit ligt bij langdurige projecten waarop het tweede lid ziet, niet in de rede, en ontneemt de zin aan deze bepaling. Zoals de minister heeft aangevoerd en voorts is overwogen in de uitspraak van 28 april 2010, moet bij dergelijke projecten een declaratie van de kosten per kalenderjaar vóór 1 oktober van het opvolgende kalenderjaar worden ingediend, met als reden dat de minister ingevolge artikel 3, eerste en vijfde lid, van het Bijdragebesluit 1999 jaarlijks het budget vaststelt voor de opsporing en ruiming van explosieven en hij alleen een bijdrage toekent voor zover dat budget niet wordt overschreden. De minister gebruikt de jaarlijkse declaraties mede voor de raming van het budget en berekent aan de hand van de ingediende declaraties of het budget toereikend is om alle declaraties te honoreren. Gelet op deze werkwijze, kan geen belang worden gehecht aan het - vaak latere - moment van beëindiging dan wel oplevering van de werkzaamheden, zoals de rechtbank heeft gedaan en de gemeente heeft aangevoerd, maar heeft als ijkpunt voor de indieningstermijn van het tweede lid te gelden het - eerdere - moment waarop de opsporings- of ruimingswerkzaamheden feitelijk zijn uitgevoerd. Op dat moment zijn de kosten feitelijk gemaakt en daarbij is niet van belang of deze al daadwerkelijk in rekening zijn gebracht bij of zijn betaald door de gemeente. Dit betekent dat de declaratie van deze kosten vóór 1 oktober van het kalenderjaar volgend op de feitelijke uitvoering van de werkzaamheden bij de minister moet worden ingediend.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/eab01c8ff363280306e257b5a1e230acd78f57585031a939ca3532efdd0cfec8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt eab01c8ff363280306e257b5a1e230acd78f57585031a939ca3532efdd0cfec8, en de alinea staat in dat document op bytes 12956 tot 16067.