Citaat | Raad van State 9 november 2011
Alinea 36 Raad van State 9 november 2011
Een alinea uit Raad van State 9 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU3744.
2.3.1. De Afdeling volgt [appellante] niet in haar betoog dat de aan haar opgelegde gevangenisstraf relatief kort is in aanmerking genomen dat het wettelijk maximum van de tijdelijke gevangenisstraf eerst na haar veroordeling is verhoogd. Verder heeft de minister zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de omstandigheid dat [appellante] ten tijde van de aanvraag reeds dertien jaren in vrijheid was gesteld niet voldoende is. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de minister, hoewel slechts één relevant justitieel gegeven is aangetroffen, in redelijkheid meer gewicht heeft kunnen toekennen aan het feit dat aan [appellante] een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht jaren is opgelegd wegens onder meer het medeplegen van moord terwijl het tijdsverloop tussen de veroordeling en het moment van beoordeling van de aanvraag bezien in het licht van het feit dat [appellante] een deel van deze tijd in detentie heeft doorgebracht, relatief kort is. Wat het door [appellante] overgelegde positieve advies van de reclassering betreft, overweegt de Afdeling dat dit dateert uit 2002, zodat hieraan niet de door [appellante] gewenste betekenis kan worden toegekend voor de afgifte van een vog in 2010. Voorts hoefde de minister in dit geval geen aanleiding te zien om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om inlichtingen in te winnen bij de reclassering en het openbaar ministerie. Nu [appellante] is veroordeeld wegens het medeplegen van een ernstig levensdelict en de aanvraag ziet op de functie van docent waarbij [appellante] belast zal zijn met de zorg voor het welzijn en de veiligheid van minderjarigen en aan de functie een opvoedkundig element is verbonden, heeft de minister zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat toekenning van de vog gelet op de beoogde functie onverantwoord zou zijn. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen. De rechtbank heeft verder terecht onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 16 december 2009 in zaak nr. 200903966/1/H3 overwogen dat de omstandigheid dat [appellante] als gevolg van de weigering tot afgifte van de vog niet in aanmerking komt voor de beoogde functie, het bedoelde en voorziene gevolg van die weigering is en om die reden geen bijzondere omstandigheid, in verband waarmee de minister niettemin tot afgifte van de vog had moeten besluiten. De betogen falen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ea6bdc2772353104363d2de2537364509dcbdbd11a79619b9118a4ffb3095602. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ea6bdc2772353104363d2de2537364509dcbdbd11a79619b9118a4ffb3095602, en de alinea staat in dat document op bytes 15190 tot 17761.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ea6bdc2772353104363d2de2537364509dcbdbd11a79619b9118a4ffb3095602 | shasum -a 256