Citaat | Raad van State 7 december 2011

Alinea 111 Raad van State 7 december 2011

Een alinea uit Raad van State 7 december 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU7098.

2.7.7. Ook de stelling dat de kosten van het archeologische onderzoek ten aanzien van de percelen sectie G, nrs. 325, 326 en 63 ten onrechte voor rekening van de grondeigenaar komen kan niet slagen. Daarbij wordt overwogen dat aan de Monumentenwet het beginsel ten grondslag ligt dat de verstoorder van het bodemarchief dient bij te dragen aan de kosten voor het archeologische onderzoek ter bescherming van dat bodemarchief. Het is derhalve in overeenstemming met het systeem van de Monumentenwet dat de kosten voor het aanvullende archeologische onderzoek in dit plan bij de aanvrager om een bouw- (thans: omgevings-) of aanlegvergunning zijn gelegd. De wetgever is er daarbij vanuit gegaan, dat die kosten in een redelijke verhouding dienen te staan tot de met de beoogde investering gemoeide kosten.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ececd13a47c81abe2b8a73ced42d85a9ae4714f7bc64fbacbf42161595e6de20. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ececd13a47c81abe2b8a73ced42d85a9ae4714f7bc64fbacbf42161595e6de20, en de alinea staat in dat document op bytes 35025 tot 35841.